Zelfstudie Link B1 Thema 6 Taak 2

Zelfstudie Link B1 
Thema 6 Taak 2
1 / 46
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

Zelfstudie Link B1 
Thema 6 Taak 2

Slide 1 - Slide

1. Woorden

Slide 2 - Slide

Wat betekent 'de ander'?
A
Een idee
B
Een andere persoon
C
Een object
D
Een plek

Slide 3 - Quiz

Wat is 'begeleiden'?
A
Iemand negeren
B
Iemand beoordelen
C
Iemand straffen
D
Iemand helpen of ondersteunen

Slide 4 - Quiz

Wat is een 'bijscholing'?
A
Een feest
B
Een hobby
C
Een vakantie
D
Vervolgopleiding of training

Slide 5 - Quiz

Wat betekent 'doneren'?
A
Geld of spullen lenen
B
Geld of spullen vragen
C
Geld of spullen geven
D
Geld of spullen verliezen

Slide 6 - Quiz

Wat is 'de inzet'?
A
De tijd die je verliest
B
De beloning die je krijgt
C
De kans die je neemt
D
De moeite die je doet

Slide 7 - Quiz

Geef voorbeelden van reiskosten.

Slide 8 - Open question

Geef voorbeelden van onkosten.

Slide 9 - Open question

2. Werkwoorden met vaste voorzetsels

Slide 10 - Slide

1. Lees de tekst op de volgende pagina
2. Maak daarna de opdrachten op wordwall en in de presentatie

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link

Slide 14 - Link

Jullie gaan morgen ......... het concert.
A
met
B
naar
C
aan
D
voor

Slide 15 - Quiz

Wij feliciteren jou ......... je verjaardag!
A
met
B
drukken
C
aan
D
voor

Slide 16 - Quiz

Ik druk op de knop ......... het apparaat.
A
naar
B
met
C
voor
D
aan

Slide 17 - Quiz

Zij denken vaak ......... hun vrienden.
A
aan
B
drukken
C
voor
D
met

Slide 18 - Quiz

Hij bedankt zijn moeder ......... het helpen.
A
voor
B
aan
C
met
D
naar

Slide 19 - Quiz

Zij genieten ......... de zon op het strand.
A
van
B
met
C
in
D
door

Slide 20 - Quiz

Hij is gewend ......... vroeg op te staan.
A
voor
B
met
C
om
D
aan

Slide 21 - Quiz

Wij houden ......... elkaar en dat is fijn.
A
voor
B
over
C
aan
D
van

Slide 22 - Quiz

Jij hebt interesse ......... de nieuwe film.
A
over
B
aan
C
in
D
voor

Slide 23 - Quiz

Zij kijkt ......... de sterren in de nacht.
A
voor
B
naar
C
in
D
met

Slide 24 - Quiz

Hij klaagt ....... de slechte service.
A
van
B
over
C
met
D
voor

Slide 25 - Quiz

Jij hebt last ....... je rug.
A
van
B
met
C
om
D
door

Slide 26 - Quiz

Hij luistert ....... zijn favoriete muziek.
A
naar
B
over
C
met
D
van

Slide 27 - Quiz

Maak een zin: Hij schrok ....... de harde knal.
A
met
B
aan
C
voor
D
van

Slide 28 - Quiz

Maak een zin: Wij sparen ....... een nieuwe auto.
A
aan
B
met
C
tegen
D
voor

Slide 29 - Quiz

Maak een zin: Zij is trots ....... haar diploma.
A
van
B
voor
C
op
D
aan

Slide 30 - Quiz

Maak een zin: Hij heeft zin ....... het feestje.
A
over
B
in
C
van
D
met

Slide 31 - Quiz

Maak een zin: Wij maken ons zorgen ....... het examen.
A
over
B
voor
C
tegen
D
met

Slide 32 - Quiz

Voor de volgende opdracht ga je zelf zinnen maken. Gebruik het werkwoord achter de vraag. 

Bijvoorbeeld: Wat wil je drinken? (zin hebben in)
Antwoord: 
Ik heb zin in koffie. 

Slide 33 - Slide

Wat vind je raar in Nederland? (niet gewend zijn)

Slide 34 - Open question

Je vriend heeft een moeilijk gesprek. Wat zeg je? (sterkte)

Slide 35 - Open question

Wat doe je met oude spullen? (geven)

Slide 36 - Open question

Wat doe je als je in bed ligt? (denken aan)

Slide 37 - Open question

Je gaat naar huis na een feest. Wat zeg je? (bedankt)

Slide 38 - Open question

Je gaat naar huis na een feest. Wat zeg je? (bedankt)

Slide 39 - Open question

Wat vind je interessant? (interesse hebben in)

Slide 40 - Open question

Goed gewerkt! Je bent klaar.
Je mag nu kiezen:
- Je gaat verder met huiswerk, de volgende taak
- Je oefent nog een beetje extra op wordwall. Op de volgende pagina's vind je nog een paar oefeningen. 

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Link

Slide 43 - Link

Slide 44 - Link

Slide 45 - Link

Slide 46 - Link