Disk, Internet en social media : woordenschat

Woordenschat
Disk, thema: Internet en social media 
1 / 23
next
Slide 1: Slide
TaalISK

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Woordenschat
Disk, thema: Internet en social media 

Slide 1 - Slide

🎯 Lesdoelen
Vandaag leren jullie:
🔹 Nieuwe woorden over social media en internet.
🔹 Wat deze woorden betekenen.
🔹 Zeggen of een zin goed of fout is.

Slide 2 - Slide

Internet en
social media?

Slide 3 - Mind map

Social media 

alle programma's op internet waarmee je contact kan maken met andere mensen.

Slide 4 - Slide

Zoek de juiste 
betekenis 
bij het woord.
timer
15:00

Slide 5 - Slide

Whatsappen
  • praten met elkaar via een berichtenapp op je mobiele telefoon

Interessant
  • als iets je aandacht trekt of nieuwsgierig maakt

Bekijken
  • kijken naar iets of iemand

Het internet
  • een systeem waardoor computers over de hele wereld met elkaar verbonden zijn

Bezig
  • wanneer je iets aan het doen bent
A1

Slide 6 - Slide

Gevaarlijk
  • met een kans dat er iets ergs gebeurt

Later
  • in de toekomst, na enige tijd

Antwoorden
  • reageren op een vraag

Doen
  • uitvoeren, in actie komen

Het bericht
  • dat wat je zegt of schrijft om iemand iets te laten weten, bijvoorbeeld per telefoon, in een brief of via e-mail
A1

Slide 7 - Slide

Vinden
  • een bepaalde mening hebben

Wat
  • dit woord gebruik je om te vragen naar iets

Wie
  • dit woord gebruik je om naar een persoon te vragen

Jezelf
  • de persoon die jij bent

Proberen
  • beginnen met iets zonder dat je weet of het lukt
A1

Slide 8 - Slide

De achterkant
  • de kant die achter zit, de kant tegenover de voorkant

Alsof
  • dit woord gebruik je om te zeggen dat iets niet zo is als het lijkt

Beschadigd
  • iets wat (een beetje) kapot is

Chatten
  • via de computer of je mobiele telefoon korte berichtjes naar elkaar sturen, die direct in beeld verschijnen

Constant
  • de hele tijd, steeds
A2

Slide 9 - Slide

Gestrest
  • als iemand last heeft van spanning, bijvoorbeeld omdat hij het druk heeft of iets belangrijks moet doen

Inleveren
  • terugbrengen

Middelbaar
  • tussen jong en oud in

Ontmoeten
  • iemand toevallig of volgens een afspraak zien en spreken, iemand tegenkomen

Overnemen
  • niet in de winkel kopen, maar van de vorige eigenaar
A2

Slide 10 - Slide

De politie
  • de mensen die ervoor zorgen dat iedereen zich aan de wet houdt en dat het veilig is in het land

Reageren
  • iets zeggen of doen als antwoord op iets anders

Het risico
  • de kans dat er iets vervelends gebeurt of dat iets gevaarlijk is

Sommige
  • een paar, niet alle

Terwijl
  • in dezelfde tijd dat
A2

Slide 11 - Slide

Twijfelen
  • niet weten wat je moet doen of kiezen

Vaag
  • iets wat niet duidelijk of helder is

De video
  • een kort filmpje

Waarschuwen
  • een teken geven; zeggen dat er gevaar dreigt

Weigeren
  • niet doen, of niet willen doen
A2

Slide 12 - Slide

Is de zin juist?

Slide 13 - Slide

Ik stuur een bericht op mijn mobiel.
A
ja
B
nee

Slide 14 - Quiz

Wij vinden internet interessant vinden.
A
ja
B
nee

Slide 15 - Quiz

Wij vinden internet interessant vinden. 


❌ (Dubbel ‘vinden’)

Slide 16 - Slide

Jij mogen een bericht bekijken.
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quiz

Jij mogen een bericht bekijken. 

❌ Verkeerde werkwoordsvorm: 
‘mogen’ moet ‘mag’ zijn

Slide 18 - Slide

Hij facebookt tijdens de les.
A
ja
B
nee

Slide 19 - Quiz

Ik praten met mijn oma op WhatsApp.
A
ja
B
nee

Slide 20 - Quiz

Ik praten met mijn oma op WhatsApp. 

❌ Verkeerde werkwoordsvorm: 
‘praten’ moet ‘praat’ zijn

Slide 21 - Slide

🎯 Lesdoelen
Vandaag hebben jullie geleerd:
🔹 Nieuwe woorden over social media en internet.
🔹 Wat deze woorden betekenen.
🔹 Zeggen of een zin goed of fout is.

Slide 22 - Slide

📚 Huiswerk

Zinnen maken met nieuwe woorden in Classroom.

Inleveren
maandag 31 maart 

Slide 23 - Slide