,

Samenvatting

Dier & gedrag





Hoofdstuk 1
1 / 37
next
Slide 1: Slide
Mens & NatuurMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with text slides.

Items in this lesson

Dier & gedrag





Hoofdstuk 1

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  • Ik benoem de onderdelen en functies van een dierlijke cel.
  • Ik benoem dat organen uit meerdere typen cellen bestaan.
  • Ik benoem de organen van het spijsverteringsstelsel bij dieren en mensen en leg hierbij de functie van elk orgaan uit.




Slide 2 - Slide

Van klein naar groot
  1. Molecuul = Kleinste deeltje waaruit alles is opgebouwd.
  2. Cel = Bouwsteen van elk organisme. 

  3. Weefsel = Groep cellen met dezelfde taak. 

  4. Orgaan = Deel van een organisme met een eigen taak. 

  5. Orgaanstelsel = Groep organen die samenwerken om een bepaalde taak uit te voeren. 

  6. Organisme = Een levend wezen.




     

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

4 rijken
Organismen kun je verdelen in vier verschillende groepen (rijken).

Dit hangt af van de opbouw van de cellen. 

Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen de cellen.





Slide 8 - Slide


Wat zijn de verschillen en overeenkomsten?
Plantencel
Dierlijke cel

Slide 9 - Slide

Organen

Orgaan = Deel van een organisme met een eigen taak. 


Een orgaan bestaat uit meerdere weefsels die samenwerken.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide







1. Mond
  • Mens: Kauwt voedsel, speeksel helpt bij vertering.
  • Dier: Mondvorm en tanden passen bij dieet (bijv. herkauwers).

2. Slokdarm
  • Mens: Brengt voedsel naar de maag via peristaltiek.
  • Dier: Werkt vergelijkbaar, lengte verschilt per soort.

3. Maag
  • Mens: Kneedt voedsel, voegt maagsappen toe.
  • Dier: Herkauwers hebben meerdere magen voor vezelvertering.

4. Dunne darm

  • Mens: Neemt voedingsstoffen op met hulp van enzymen en gal.
  • Dier: Zelfde functie, lengte varieert per dieet (kort bij vleeseters, lang bij planteneters).

5. Dikke darm
  • Mens: Haalt water en zouten uit voedselbrij.
  • Dier: Extra vezelvertering bij planteneters zoals paarden.

6. Endeldarm en anus
  • Mens: Opslag en uitscheiding van ontlasting.
  • Dier: Zelfde functie; vogels hebben één uitgang (cloaca).


Belang:
Vertering levert energie; bouw van het stelsel is aangepast aan het dieet (planteneters vs. vleeseters).






Spijsverterings-stelsel

Slide 12 - Slide

Dier & gedrag





Hoofdstuk 2

Slide 13 - Slide

Leerdoelen
  • Ik leg uit en vergelijk hoe dieren verschillen in manier van voeden, voortbewegen, warm houden en verdediging met passende voorbeelden.
  • Ik benoem verbanden tussen vorm, bouw en leefwijze van organismen en de omgeving waarin deze organismen leven.
  • Ik benoem het proces van de evolutie en wat Charles Darwin daarmee te maken heeft.
  • Ik leg uit wat onder een soort wordt verstaan
  • Ik beschrijf waarom natuurlijke selectie een belangrijke factor is in de evolutie en hoe een nieuwe soort ontstaat.





Slide 14 - Slide

Leefomgeving

  • de meest geschikte omgeving met de beste omstandigheden voor een dier, noem je een biotoop.
 
  • Abiotische factoren = Niet levende natuur
  • Biotische factoren = Levende natuur 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Evolutie
  • Evolutie: het proces waarbij soorten ontstaan uit elkaar, alle soorten hebben één gemeenschappelijke voorouder.
  • Darwin: grondlegger van de evolutietheorie.
  • Natuurlijke selectie: de best aangepaste organismen krijgen de meeste nakomelingen.

Slide 20 - Slide

Evolutie
  1. variatie
  2. natuurlijke selectie: de best aangepaste organismen krijgen de meeste nakomelingen
  3. eigenschappen zijn doorgegeven, er kan een nieuwe soort ontstaan

Slide 21 - Slide

Soort
Organismen behoren tot dezelfde soort:

  • als ze nakomelingen kunnen maken.
  • als deze nakomelingen vruchtbaar zijn.
Behoren zij tot dezelfde soort?

Slide 22 - Slide

ontstaan van nieuwe soorten

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Dier & gedrag




Hoofdstuk 3

Slide 25 - Slide

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven wat gedrag is en hoe het ontstaat.
  • Ik leg uit aan de hand van voorbeelden uit hoe menselijk gedrag beïnvloed wordt door verschillende uitwendige prikkels en door inwendige prikkels.
  • Je kunt het begrip s​leutelprikkel, supranormale prikkel, aangeboren en aangeleerd gedrag​ beschrijven en hierbij ​voorbeelden​ noemen.
  • Ik herken dat mijn gedrag onbewust kan worden beïnvloed door bijvoorbeeld reclame.





Slide 26 - Slide

Gedrag
  • Gedrag = alles wat een mens of dier doet.


Voorbeelden:
- Fietsen
- Zwemmen
- Springen
- Bellen

Slide 27 - Slide

Gedrag is vaak een reactie op prikkels
Prikkel​ = een verandering in de omgeving waar je op kunt reageren

Uitwendige prikkel: ​prikkel van buiten het organisme (omgeving).
Voorbeeld: stoplicht op rood → je remt.

Inwendige prikkel: prikkel vanuit het lichaam.
Voorbeeld: honger → je gaat eten.

Slide 28 - Slide

Soorten prikkels
Sleutelprikkel​: prikkel die altijd hetzelfde gedrag oproept.
Voorbeeld: rode binnenkant van de snavel van jonge vogels 
→ ouders voeren ze.

Supranormale prikkel: een overdreven prikkel die een sterkere reactie oproept.
Voorbeeld: mensen reageren sterker op felle kleuren in reclames.

Gewenning: als een prikkel vaak voorkomt, reageer je er minder op.
Voorbeeld: wonen in een drukke stad → je hoort het verkeer niet meer bewust.

Slide 29 - Slide

Conflictgedrag







  • Dreiggedrag: twijfelen tussen aanvallen of vluchten.
  • Overspronggedrag: plotseling ander gedrag vertonen, zonder verband met de situatie.
  • Omgericht gedrag: agressie op iets anders richten (bv. met een vuist op tafel slaan).

Slide 30 - Slide

Andere soorten van gedrag
Imponeergedrag: een dier maakt zich groot en indrukwekkend.
Voorbeeld: chimpansees stampen op de grond 
en brullen om indruk te maken.

Territoriumgedrag: afbakening en verdediging van een territorium.
Voorbeeld: dieren markeren hun territorium 
of jagen indringers weg.

Baltsgedrag: gedrag vóór de paring; vergroot de kans op voortplanting.
Voorbeeld: mensen kunnen uitdagend dansen om iemand te versieren.

Slide 31 - Slide

Aangeboren/Aangeleerd gedrag


Aangeboren gedrag: is erfelijk bepaald, al vanaf de geboorte en hoeft niet door ouders worden aangeleerd. 


Aangeleerd gedrag: gedrag dat is ontwikkeld doordat een mens/dier het zichzelf leert of van anderen heeft geleerd.


Slide 32 - Slide

Invloed op gedrag

Gedrag wordt beïnvloed door familie 
en sociale interacties.


  • Imiteergedrag: gedrag kopiëren van anderen.
  • Inprenting: leren in een gevoelige periode (eend volgt moeder).
  • Trial & error: leren door fouten en successen (vogel vermijdt oranje rupsen).
  • Klassieke conditionering: associatie tussen stimulus en respons (Pavlov's hond).

Slide 33 - Slide

Gedrag en maatschappij

  • Wetten: regels vastgesteld door de overheid (bijv. door rood rijden verboden).
  • Sociale regels: culturele normen (bijv. iemand bedanken).
  • Waarde: principes, idealen, wat mensen belangrijk vinden (respect voor anderen).
  • Norm: regels en gedragsregels die voortkomen uit waarden (afval in de prullenbak gooien).

Slide 34 - Slide

Sociale media


Beïnvloeding: Je telefoon en influencers sturen jouw keuzes.

Algoritmes: Je ziet vooral wat je leuk vindt → je leeft in een bubbel.

Gevolgen: Versterking van meningen, polarisatie en fake news.

Let op! Check bronnen en wees bewust van je schermtijd!

Slide 35 - Slide

Tips voor het leren
  1. Ga naar het kopje 'Voorbereiding toets' op de website.
  2. Check of je de leerdoelen kunt beantwoorden, kijk de oefentoets na en bekijk hoe je een vraag moet aanpakken.
  3. Leer de theorie van de website (theoriekaarten) en uit je aantekeningenschrift.
  4. Ga op zoek naar extra informatie, filmpjes, spelletjes, etc. over dit onderwerp op het internet.
  5. Heb je vragen of extra hulp nodig? Vraag het (op tijd) aan de docent.

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide