Les 16 Naamkunde + grafieken en tabellen

Les 18 Grafieken en tabellen
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Les 18 Grafieken en tabellen

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
  • Je kunt tabellen en grafieken correct interpreteren.
  • Je kunt verschillende soorten tabellen en grafieken herkennen.
  • Je kunt misleidende tabellen en grafieken herkennen.
  • Je kunt zelf tabellen en grafieken maken.

Slide 2 - Slide

a. Weet jij wat je eerste woordje was?
b. Wanneer begon je zinnen te gebruiken?
c. Op welke manier leerde je andere talen, zoals Frans, Engels, Spaans of Duits?

Slide 3 - Slide

Taalverwerving
Herhaling

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Noteer je samenvatting hier.

Slide 6 - Open question

3. Bekijk de grafieken en bepaal of de uitspraken waar of niet waar zijn. Geef vervolgens het nummer van de grafiek of tabel waar je de informatie vond.

Slide 7 - Slide

1. Grammaticale ontwikkeling start later dan woordenschatverwerving bij een kind.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quiz

Slide 9 - Slide

2. Wanneer een kind samengestelde zinnen kan gebruiken, is het ook volledig verstaanbaar.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Slide

3. Vanaf de leeftijd van 18 maanden kan een kind 10 woorden gebruiken.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Slide

4. Een kind tussen 5 en 6 jaar kent zo’n 2 600 woorden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quiz

Slide 15 - Slide

5. Kinderen leren meer taal tussen de leeftijd van 0 tot 6 jaar dan tussen de leeftijd van 6 en 11 jaar.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quiz

Slide 17 - Slide

6. Kinderen ‘spreken’ al voor ze hun eerste woord gebruikt hebben.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

7. Tussen de leeftijd van 3 en 5 jaar evolueert de woordenschat van een kind van ongeveer 900 woorden naar 2 100 woorden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 20 - Quiz

Slide 21 - Slide

8. Volwassenen bieden kinderen van 7 jaar een meer talige context aan dan kinderen van 5 jaar.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quiz

Slide 23 - Slide

Vier fases van moedertaalontwikkeling
  1. Voortalige fase: 0 tot 7 maanden
  2. Brabbelfase: 7 tot 10 maanden
  3. Eenwoordfase: 12 tot 18 maanden
  4. Meerwoordfase: 18 tot 30 maanden
  5. Differentiatiefase: 30 maanden tot tot 9 jaar

Slide 24 - Slide

Voortalige fase (0-7 maanden)
In deze fase nemen baby's spraakklanken waar en maken ze geluidjes. Dit is een cruciale periode waarin ze leren om verschillende klanken te onderscheiden.

Kenmerken:
⦁ Baby’s reageren op geluiden en stemmen.
⦁ Ze produceren geluiden zoals gorgelen, kirren en vocaliseren.

Voorbeeld: Klanken zoals "eieieiei", "tatatata", "sjsjsjsj", "riiiiiii".

Slide 25 - Slide

Brabbelfase (7-10 maanden)
Baby’s beginnen klanken na te bootsen en oefenen hiermee. Ze ontdekken hoe ze klanken kunnen combineren en maken herhalende klankpatronen.

Kenmerken:
⦁ Baby’s experimenteren met klanken en intonatie.
⦁ Ze gebruiken herhalende klankenreeksen die soms op echte woorden lijken.

Voorbeeld: geluiden zoals "dedadedadada", "memememe", "bakagoeogoe"

Slide 26 - Slide

Eenwoordfase (10-16 maanden)
Kinderen beginnen losse woorden te gebruiken met een specifieke betekenis. Eén woord kan een hele zin vervangen (bijvoorbeeld "banaan" betekent "Ik wil een banaan").

Kenmerken:
⦁ Kinderen gebruiken eenvoudige woorden om iets duidelijk te maken.
⦁ Eén woord kan verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de context en intonatie.

Voorbeeld: woorden zoals "mama", "papa", "naan" (voor banaan).

Slide 27 - Slide

Meerwoordfase (16-26 maanden)


Kinderen beginnen woorden te combineren tot korte zinnen. Hun woordenschat groeit en ze beginnen de basis van grammatica te ontdekken.

Kenmerken:
⦁ Zinnen bestaan uit twee tot drie woorden.
⦁ Woorden worden gecombineerd op een simpele manier, vaak zonder grammaticale structuur.

Voorbeeld: "pop hebben", "pop muts hebben", "Myriam pop muts hebben".


Slide 28 - Slide

Differentiatiefase (26 maanden - 9 jaar)

Kinderen breiden hun woordenschat verder uit en leren grammaticale regels. Ze beginnen complexere zinnen te vormen en gebruiken taal steeds beter om hun gedachten uit te drukken.

Kenmerken:
⦁ Overgeneralisaties
⦁ Gebruik van langere en complexere zinnen.
⦁ Ontwikkeling van grammaticale structuren zoals verleden tijd en samengestelde zinnen.

Voorbeeld: "Ik heb onze goeie auto terug vont; het paard klimde op de stoel, en toen viel het, en toen huilde het."

Slide 29 - Slide

Grafieken bespreken
Zoek de drie fouten in de tekst.

Slide 30 - Slide