VD als BN De fax is
verstuurd.
De verstuurde fax.
-tt of -dd De schaal is ingevet.
De ingevette schaal.
VD op -(e)n Het glas is gebarsten.
Het gebarsten glas.
TD als BN Het meisje loopt lachend weg.
Het
lachende meisje.
Tegenwoordig deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Ook een tegenwoordig deelwoord kun je als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. Je plaatst het tegenwoordig deelwoord dan met of zonder -e voor het zelfstandig naamwoord.
Ook hier houd je je aan de regels voor de vorming van het bijvoeglijk naamwoord.
- De klas zit vol lachende leerlingen.
- Toen de leerling het antwoord niet wist, gaf hij een ontwijkend antwoord.