5H 13.2 Aangeboren en verworven afweer les 1

Afweer
13.1 Bescherming
13.2 Aangeboren en verworven afweer
13.3 Immuniteit
13.4 Transplantatie en bloedtransfusie




1 / 27
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Afweer
13.1 Bescherming
13.2 Aangeboren en verworven afweer
13.3 Immuniteit
13.4 Transplantatie en bloedtransfusie




Slide 1 - Slide

Programma
  • Leerdoelen 
  • Uitleg basisstof 13.2 --> Aangeboren afweer en verworven afweer
  • Met vragen en een filmpje
  • Opdrachten maken
  • Afsluiting 

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
  • Je kunt de vormen van aangeboren afweer beschrijven
  • Je kunt de vormen van verworven afweer beschrijven

Slide 3 - Slide

Het complementsysteem bestaat uit meer dan 30 eiwitten die belangrijk zijn in de afweer tegen bacteriën. Het is één van de eerste verdedigingsmechanismen, die op gang komt bij een infectie. Deze eiwitten kunnen zelf een ziekteverwekker (pathogeen) remmen of andere cellen activeren om de ziekteverwekker op te ruimen. De eiwitten hebben allemaal een eigen functie. Het eiwit C3 bijvoorbeeld, bindt aan bacteriën waardoor deze bacteriën gemakkelijker worden herkend en uitgeschakeld door andere afweercellen (witte bloedcellen).
= aangeboren afweer
= verworven afweer

Slide 4 - Slide

Aangeboren afweer

1. Aspecifiek: gericht tegen verschillende ziekteverwekkers
2. Komt voor bij alle planten en dieren 
3. Dient als snelle eerste afweer tegen een infectie.
4. Is de basis voor verworven afweer.
Verworven afweer

1. Wordt ontwikkeld gedurende het leven van een individu
2. Specifiek: Deze afweer is gericht op één type ziekteverwekker.
3. Komt alleen voor bij gewervelde dieren.

Slide 5 - Slide

Algemene en specifieke afweer
  • algemene afweer 
  • Specifieke afweer 

Slide 6 - Slide

Activatie afweersysteem
Een ziekteverwekker of lichaamsvreemde stof dringt het inwendig milieu binnen --> het afweersysteem wordt geactiveerd:

  • De tweede verdedigingslinie komt in actie (= aangeboren afweer, niet specifiek) --> snelle eerste afweer. Activeert de verworven afweer.
  • De derde verdedigingslinie komt in actie (= verworven afweer, specifiek) --> ontwikkelt gedurende je leven. Gericht tegen 1 type ziekteverwekker en tegen je eigen veranderende cellen.       Alleen bij gewervelde dieren. 
Zoals kankercellen en cellen die geïnfecteerd zijn door bijvoorbeeld een virus. 

Slide 7 - Slide

Ontstaan witte bloedcellen
Verworven afweer
Lymfocyten zie zich verder ontwikkelen in thymus --> T-cellen/lymfocyten
Lymfocyten die zich verder ontwikkelen in het beenmerg --> B-cellen/lymfocyten
Aangeboren afweer (fagocyten en mestcellen)

Slide 8 - Slide

Aanmaak van witte bloedcellen
  • Witte bloedcellen worden gemaakt in het rode beenmerg
  • Sommige witte bloedcellen  ontwikkelen in de thymus.
  • Sommige witte bloedcellen worden opgeslagen in de milt en lymfeknopen.

Slide 9 - Slide

Lymfoïde organen
Functie van thymus: 
De thymusklier is een van de belangrijkste organen in het afweersysteem. Onvolgroeide T-lymfocyten, afkomstig uit het beenmerg, worden er omgewerkt tot functionele T-lymfocyten. Daarnaast speelt de thymus ook een essentiële rol bij de aanmaak van geheugencellen die het recept onthouden hoe de afweerstoffen tegen doorgemaakte ziekten moeten worden aangemaakt.
Functie van de Milt: De milt kan worden gezien als de lymfeklier van het bloed, hij bevat veel lymfocyten en er worden ook veel antilichamen geproduceerd. Bovendien worden in de milt plasmacellen gevormd uit B-lymfocyten.
Vraag
Waarom zien we bij een infectie vaak opgezette lymfeknopen?
Thymus, mild en lymfeknopen --> functie bij de opslag en transport van witte bloedcellen.

Slide 10 - Slide

Correctievoorschrift

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Verdediging in 3 linies: 
1e linie: huid, slijmvliezen maag
Doel: ziekteverwekker buiten houden

2e linie: aangeboren (aspecifieke) afweer  - fagocyten 
Doel: alles wat in het lichaam zit en lichaamsvreemd is moet dood

3e linie: verworven (specifieke) afweer - lymfocyten 
Doel: aanval tegen een specifieke ziekteverwekker 

Slide 13 - Slide

Terug naar thema 1 van 4H. Wat was fagocytose ook alweer?!

Slide 14 - Open question

Aangeboren afweer
  • Marcofagen zijn fagocyten
  • Ze maken geen onderscheid tussen ziekteverwekkers
  • Kunnen koorts veroorzaken

Slide 15 - Slide

Fagocyten 
  • Meestal macrofagen ('grote eter')
  • Wordt snel geactiveerd
  • Ze maken geen onderscheid tussen ziekteverwekkers --> reactie op elke lichaamsvreemde stof altijd hetzelfde: fagocytose (= insluiten en verteren van ziekteverwekkers / lichaamsvreemde stoffen)
  • Kunnen koorts veroorzaken

Slide 16 - Slide

Fagocytose

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Slide 19 - Video

Hoe maakt een macrofaag onderscheidt tussen een lichaamsvreemde cel en een lichaamseigen cel? 

Slide 20 - Slide

Hoe maakt een macrofaag onderscheidt tussen een lichaamsvreemde cel en een lichaamseigen cel? 


De witte bloedcel herkent de ziekteverwekker aan de antigenen --> specifieke herkenningseiwitten op het celmembraan. Meestal zijn dit eiwitten.

Slide 21 - Slide

Waarom krijg je koorts?

Slide 22 - Slide

Wat weet je over koorts?

Slide 23 - Open question

Koorts
  • = temperatuur hoger dan 38 °C
  • Macrofagen maken stofjes aan die de normwaarde van lichaamstemperatuur verhogen
  • Een hogere lichaamstemperatuur stimuleert eigen afweersysteem

Je lichaam gaat opwarmen (je hebt het dan koud in eerste instantie). Daarna de normwaarde weer normaal, je moet weer afkoelen (hier zweet je zoveel).


Slide 24 - Slide

Fagocyten
Granulocyten en macrofagen

Ook granulocyten fagocyteren
ziekteverwekkers.
Ze gaan hierbij meestal zelf 
dood --> pus/etter ontstaat. 

Slide 25 - Slide

Mestcellen
Dit zijn witte bloedcellen die zich vooral bevinden 
in weefsels van huid en slijmvliezen. 

In contact met ziekteverwekkers of
lichaamsvreemde stoffen --> geven 
histamine af --> verwijding en grotere 
doorlaatbaarheid bloedvaten --> gunstig
voor andere witte bloedcellen. 
Histamine --> zwelling, warmte, roodheid

Slide 26 - Slide

Aan het werk

Lezen 13.2 
Maken opdracht 21 t/m 31 



Slide 27 - Slide