Examentraining Nederlands les 2 - Begrippen leesvaardigheid

Examentraining Nederlands
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Examentraining Nederlands

Slide 1 - Slide

Wat weet je al?
Lees de volgende vragen.
- Kijk op welke vragen je antwoord hebt en schrijf dit op.
- Voor elke vraag krijg je 45 seconden de tijd. 
- Je schrijft zoveel mogelijk op. 
- Bewaar het briefje tot het einde van de les.

Slide 2 - Slide

Vragen
1.  Wat zijn signaalwoorden? 
2. Wat is een kernzin uit in een alinea?
3. Wat is de hoofdgedachte van een tekst? 
4. Heeft een samenvatting voorbeelden?
5. Hoe moet ik een stukje tekst citeren? 
timer
0:45

Slide 3 - Slide

Lesdoelen
- Je weet aan het einde van deze les meer over signaalwoorden.
- Je weet aan het einde van deze les meer over een hoofdgedachte en een kernzin uit een tekst.
- Je weet aan het einde van deze les meer over wat belangrijk is bij het maken van een samenvatting.
- Je weet aan het einde van de les van een aantal begrippen die vaak op een examen terugkomen de betekenis.

Slide 4 - Slide

Welke type woorden zijn belangrijk voor leesvaardigheid?
A
werkwoorden
B
signaalwoorden
C
voegwoorden
D
verwijswoorden

Slide 5 - Quiz

Welk woord geeft vaak een conclusie aan?
A
maar
B
en
C
dus
D
kortom

Slide 6 - Quiz

Welk woord geeft een tegenstelling aan?
A
ook
B
daardoor
C
zoals
D
maar

Slide 7 - Quiz

Welk woord geeft een opsomming aan?
A
ook
B
bijvoorbeeld
C
daarentegen
D
omdat

Slide 8 - Quiz

Wat is de kernzin van een alinea?
A
Een zin met voorbeelden
B
Een zin met de mening van de schrijver.
C
De belangrijkste zin met de meeste informatie.
D
Een zin die toelichting geeft.

Slide 9 - Quiz

Wat is een hoofdgedachte van een tekst?
A
De kernzin van een alinea
B
Een conclusie van de tekst
C
In een zin aangegeven wat het onderwerp is van de tekst
D
verschillende deelonderwerpen bij elkaar

Slide 10 - Quiz

Bij citeren moet je iets letterlijk overnemen. Je kunt de hele zin overschrijven. Wat mag je ook doen?

Slide 11 - Open question

Wat betekent: citeer het zinsgedeelte?
A
Hetzelfde als een hele zin
B
een groepje woorden
C
een gedeelte van een alinea
D
een deel van de zin

Slide 12 - Quiz

Waar of niet waar: in een samenvatting staan voorbeelden?
A
niet waar
B
waar

Slide 13 - Quiz

Waar of niet waar: in een samenvatting is een mening belangrijk?
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quiz

Wat is bijna altijd het doel van de drie grote teksten?
A
amuseren
B
overtuigen
C
aansporen
D
informeren

Slide 15 - Quiz

Wat betekent het woord weerleggen?
A
een argument geven
B
een mening geven
C
bewijzen dat het niet klopt
D
een nieuw deelonderwerp

Slide 16 - Quiz

Wat betekent het woord nuanceren?
A
afzwakken
B
erger maken
C
opschrijven
D
letterlijk overnemen

Slide 17 - Quiz

Wat betekent het woord standpunt?
A
een feit
B
een mening
C
einddoel
D
een grappig verhaaltje

Slide 18 - Quiz

Wat is een anekdote?
A
een film
B
een interview
C
een grappig verhaaltje
D
een vragenlijst

Slide 19 - Quiz

Wat betekent het woord constatering?
A
De schrijver merkt iets op.
B
De schrijver heeft iets opgezocht.
C
De schrijver geeft een samenvatting.
D
De schrijver twijfelt aan iets.

Slide 20 - Quiz

Welk verband hoort bij de volgende zin: De oogst is mislukt, doordat het al maanden ontzettend heet is.
A
gevolg - oorzaak
B
oorzaak - gevolg
C
middel - doel
D
uitspraak - voorbeeld

Slide 21 - Quiz

Terugkomen op de vragen...
Kijk nou nog eens naar de antwoorden die je in het begin op hebt geschreven. 
We bespreken klassikaal:
Als je niet alles hebt kunnen beantwoorden, kun je dit nu wel? 
Wist je al veel te beantwoorden? 
Heb je nieuwe dingen gehoord?

Slide 22 - Slide

Belangrijke tip!
Al laatste een video met belangrijke tips voor je examen Nederlands op gebied van leesvaardigheid.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video