This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 40 min
Items in this lesson
Guten Morgen liebe Schüler
Slide 1 - Slide
Lernziel(e)
Je weet wat een keuzevoorzetsel is en wanneer je welke naamval bij welk voorzetsel moet kiezen.
Slide 2 - Slide
Programma:
Deel 1:
- herhaling uitleg keuzevoorzetsel
- HW nakijken
- Zelfstandig aan het werk met nieuwe opdrachten grammatica.
Deel 2:
- Quiz
- Extra uitleg grammatica
- zelfstandig werken aan G Schreiben
-
Slide 3 - Slide
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Slide 4 - Slide
Wechselpräpositionen zijn keuzevoorzetsels. Hiernaast zie je de 9 voorzetsels waar het om gaat.
De 9 keuzevoorzetsels zijn:
an: aan
auf: op
hinter: achter
in: in
neben: naast
über: boven
unter: onder
vor: voor
zwischen: tussen
Slide 5 - Slide
Dativ -> 3e nv
Dativ = rust, ergens zijn.
Je kunt de vraag: Wo (waar)? of wann(wanneer)? stellen
Die Zeitung liegt auf dem Tisch.
Akkusativ -> 4e nv
Akkusativ = beweging, ergens heen.
Je kunt de vraag: Wohin (waarheen)? stellen
Sie wirft die Zeitung auf den Tisch (m).
Slide 6 - Slide
Keuzevoorzetsels "folder"
4
3
3 /
4
Slide 7 - Slide
Huiswerk nakijken
Kapitel 5
B-> Wortschatz, Aufg. 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 en 11 in je boek
Slide 8 - Slide
Aufgabe 3
Eigen antwoord, bijvoorbeeld:
der Beruf, der Nebenjob, der Polizist, die Polizistin, der Mediendesigner, die Mediendesignerin, der Krankenpfleger, die Krankenschwester, die Arbeit, das Studium, das Unternehmen, arbeiten, erfolgreich
Slide 9 - Slide
Aufgabe 4
Slide 10 - Slide
Aufgabe 5
1 erfolgreich
2 Weltreise
Slide 11 - Slide
Aufgabe 6
Traum
lassen
sehen
Menschen
Wunsch
Ziel
zum Beispiel
Nebenjob
9. Praktikum
10. vielleicht
11. Ausland
12. genau
Slide 12 - Slide
Aufgabe 7
1 Polizist.
2 Vorteil.
3 gegeben.
4 lassen
5 glücklich
Slide 13 - Slide
Aufgabe 9
1 Polizistin.
2 fertig
3 der Fachhochschule
4 faulenzen
5 wünschen dir viel Erfolg bei
6 zweifeln an
Slide 14 - Slide
Aufgabe 10
1 viel Geld verdienen
2 ins Ausland fahren
3 von einem Job träumen
4 für die Prüfung lernen
5 mit einem Praktikum anfangen
6 in einem Unternehmen arbeiten
7 mit anderen Menschen zusammenarbeiten
Slide 15 - Slide
Aufgabe 11
Slide 16 - Slide
Zelfstandig aan het werk
E-> Aufgabe 24, 25, 26, 27, 28 in folder
Klaar? begin dan aan slim stampen Kap.4
Slide 17 - Slide
Deel 2
5 Minuten Pause.
Slide 18 - Slide
0
Slide 19 - Video
Voorzetsels 3e naamval
uit
bij
met
na / naar
sinds
van
naar (personen)
aus =
bei =
mit =
nach =
seit =
von =
zu =
Slide 20 - Slide
Voorzetsels 4e naamval (DOGBUF)
tot
door
voor
tegen
zonder
om
bis =
durch =
für =
gegen =
ohne =
um =
Slide 21 - Slide
Keuzevoorzetsels
an
aan/op (alleen bij dagen)
auf
op
hinter
achter
neben
naast
in
in/binnen
über
over
unter
onder
vor
voor
zwischen
tussen
Slide 22 - Slide
De 7/2 regel
Soms kun je niet vragen waar/waarheen of wanneer.
Dan gaat bij deze voorzetsels de 7/2 regel in. Dat houdt in
dataufen über altijd een 4e naamval krijgen, de overige 7 voorzetsels een 3e naamval .
Slide 23 - Slide
Keuzevoorzetsels: Welke vraag kun je stellen voor de 3e naamval? [meerdere antwoorden]
A
Wohin?
B
Wann?
C
Wo?
D
Warum?
Slide 24 - Quiz
Keuzevoorzetsels: Welke vraag kun je stellen voor de 4e naamval?
A
Wohin?
B
Wann?
C
Wo?
D
Warum?
Slide 25 - Quiz
Welcher Satz ist richtig geschrieben? Sleep de zin.
Dieser Satz ist richtig.
Dieser Satz ist leider falsch.
Der Ball rollt unter das Auto (o).
Die Kreditkarte liegt in dem (im) Hotelzimmer (o).
Ich wohne über dem Geschäft (o).
Ich lege die Zeitung auf dem Tisch (m).
Die Zeitung liegt noch auf dem Tisch (m).
Slide 26 - Drag question
Vul in. Das Auto steht vor d...…. Garage (v)
Slide 27 - Open question
Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage (v).
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'staat' is geen beweging. Je kunt vragen 'waar'? Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.
Dus: Das Auto steht vor der Garage (v)
Slide 28 - Slide
Vul in. Das Heft fällt auf d...…...Boden (m).
Slide 29 - Open question
Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'vallen' is een beweging.
Dus Akkustiv (4de naamval) mannelijk.
Dus: Das Heft fällt auf den Boden (m).
Slide 30 - Slide
Das Bild hängt an d.... Wand (v).
A
die
B
der
Slide 31 - Quiz
Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? Antwoord: aan de muur.
Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.
Dus: Das Bild hängt an der Mauer (v).
Slide 32 - Slide
Vul in. Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch (m).
Slide 33 - Open question
Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
Het gaat hier om een beweging (iets neer leggen).
Dus Akkusativ (4e naamval.)
Dus: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.
Slide 34 - Slide
Vul in. Ich freue mich (op het) Besuch (m) freuen auf
Slide 35 - Open question
Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik verheug me op jullie bezoek
auf (op) = keuzevoorzetsel
sich freuen auf drukt geen ergens zijn/richting/tijdsbepaling aan: = 7/2
Dus:
1de naamval -> der (1) den (4).
Antwoord: Ich freue mich auf den Besuch
Slide 36 - Slide
Zelfstandig aan het werk
E-> Aufgabe 24, 25, 26, 27, 28 in folder
Kapitel 5
G-> Aufgabe 39, 40 ,41, 42, 43, boek
G-> Aufgabe 44, online
Slide 37 - Slide
Deel 2
Neue Grammatik
Slide 38 - Slide
Hausaufgaben
E-> Aufgabe 24, 25, 26, 27, 28 in folder
Kapitel 5
G-> Aufgabe 39, 40 ,41, 42, 43, boek
G-> Aufgabe 44, online
Slide 39 - Slide
Kijk nu terug naar de lesdoelen:
Je weet wat een keuzevoorzetsel is en wanneer je welke naamval aan welk voorzetsel moet koppelen.