Grammatica - Klare taal les 12 bijvoeglijk naamwoord

Lesdoelen:
Aan het eind van de les:
kun je bijvoeglijke naamwoorden herkennen en benoemen;
kun je zelf bijvoeglijke naamwoorden bedenken;
kun je zinnen maken met de door jou bedachte woorden.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Lesdoelen:
Aan het eind van de les:
kun je bijvoeglijke naamwoorden herkennen en benoemen;
kun je zelf bijvoeglijke naamwoorden bedenken;
kun je zinnen maken met de door jou bedachte woorden.

Slide 1 - Slide

Welkom!
Grammatica
Bijvoegelijk naamwoord

Slide 2 - Slide

Welkom!
Wie / wat is dit?

  • dit dier is lekker zacht
  • dit dier heeft een bruine vacht
  • dit dier heeft een lange staart
  • dit dier heeft groene ogen
  • dit dier heeft een lange staart
  • dit dier heeft scherpe nagels
  • dit dier heeft een kleine roze tong
  • dit dier heeft puntige oren

Slide 3 - Slide

Welkom!
Wie / wat is dit?


Slide 4 - Slide

Welkom!
Met een bijvoeglijk naamwoord kun je iets meer zeggen over een mens, dier of ding.

Slide 5 - Slide

Welkom!
wat zijn de bijvoegelijke naamwoorden

  • dit dier is lekker zacht
  • dit dier heeft een bruine vacht
  • dit dier heeft een lange staart
  • dit dier heeft groene ogen
  • dit dier heeft een lange staart
  • dit dier heeft scherpe nagels
  • dit dier heeft een kleine roze tong
  • dit dier heeft puntige oren

Slide 6 - Slide

Welkom!
Staat het bijvoeglijk naamwoord aan het einde van de zin?
Schrijf de korte vorm.




Staat het bijvoeglijk naamwoord voor een mens, dier of ding?
Dan krijgt het -e

Slide 7 - Slide

Welkom!
Staat het bijvoeglijk naamwoord voor een mens, dier of ding?
Dan krijgt het -e
Hoor je een korte of lange klank? Is de laatste letter een f of s?
Dan moet je het woord een beetje anders schrijven 

Slide 8 - Slide

Welkom!

Slide 9 - Slide

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Een leeuw is een sterk dier.
A
leeuw
B
sterk
C
is
D
dier

Slide 10 - Quiz

De .................jas
A
warme
B
warm

Slide 11 - Quiz

De .................weg
A
breed
B
brede
C
breede

Slide 12 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Een olifant is een groot dier.
A
olifant
B
dier
C
is
D
groot

Slide 13 - Quiz

Het ...............kind
A
liefe
B
lieve
C
lief

Slide 14 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Een beer is een gevaarlijk dier.
A
beer
B
gevaarlijk
C
is
D
dier

Slide 15 - Quiz

De ................fiets
A
kapot
B
kapote
C
kapotte

Slide 16 - Quiz

De ....................man
A
zieke
B
ziek

Slide 17 - Quiz

Welkom!
Wie is dit?

Beschrijving van een persoon
  • deze persoon heeft een broek aan
  • deze persoon heeft een trui aan
  • deze persoon heeft haar
  • deze persoon heeft 

Slide 18 - Slide

Mijn glas is ........
A
leeg
B
lege
C
leege
D
leg

Slide 19 - Quiz

Geef je .........glas maar.
A
leeg
B
lege
C
leege

Slide 20 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?
Ik koop voor Ruben een nieuw schrift.
A
Ik
B
schrift
C
koop
D
nieuw

Slide 21 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?
De aardige vrouw bakt lekkere cakejes.
A
aardige
B
vrouw
C
cakejes
D
lekkere

Slide 22 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

De oude man loopt goed.
A
oude
B
man
C
loopt
D
goed

Slide 23 - Quiz

Opdracht:

schrijf  vijf zinnen over jouw huis / kamer
gebruik bijvoegelijke naamwoorden

Ik woon in ...............
Mijn kamer is ...............

Slide 24 - Slide