NT2 A0-A1 - De hoofdzin (woordvolgorde met twee werkwoorden)

Zinnen maken

Ik leer de goede woordvolgorde...
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Zinnen maken

Ik leer de goede woordvolgorde...

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is de goede volgorde?
1
2
3
bij Kruidvat
Marwa
werkt

Slide 2 - Drag question

This item has no instructions

Wat is de goede volgorde?
1
2
3
Nederlands
Kanjana
leert

Slide 3 - Drag question

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
1
2
3
de rest
Wie
werkwoord

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Uitleg: zinnen maken - de hoofdzin (1)
Wat is de goede volgorde?
wie     +     doet (werkwoord)     +     de rest   

Voorbeelden:
Jan     loopt     naar school
Sabah     bakt     lekkere koekjes 
Sallie     geeft     Nederlandse les
             

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Opdracht: zinnen maken  
Maak zelf ook  3 zinnen
wie     +     werkwoord (ww)     +     rest   

Schrijf op:
1.
2.
3.
             

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
1
2
3
2
een boek
De vrouw
wil
lezen

Slide 7 - Drag question

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
1
2
3
2
naar school
Het kind
kan
fietsen

Slide 8 - Drag question

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
1
2
3
2
de rest
Wie
werkwoord 1
werkwoord 2

Slide 9 - Drag question

This item has no instructions

Uitleg: zinnen maken - de hoofdzin (2)
Wat is de goede volgorde?
wie     +     ww 1      +     rest    +     ww 2   

Voorbeelden:
Jan     kan     naar school      lopen
Patience     wil     koekjes     eten
Kris     kan     op maandag les     geven
             

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Zinnen maken - de hoofdzin (3)
2. Wie of wat + werkwoord + rest = tijd, wie of wat en plaats
      Jan             + koopt             +              morgen een boek in Enschede
      Jan             + leert               +                                Nederlands op school  

           

Slide 11 - Slide

- het eerste werkwoord staat altijd op de 2e plaats

- de rest van de zin op de 3e plaats.

- de tijd staat vaak voor de plaats!

- wie of wat (3) staat vaak na de tijd en voor de plaats!
REST
= tijd
= met wie of wat
= plaats 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Zinnen maken
Jullie gaan nu 
zelf zinnen maken. 

Succes ;-)

Slide 13 - Slide

This item has no instructions


Ik ..... (willen) naar het zwembad .... (gaan).

Slide 14 - Open question

This item has no instructions


De cursisten / vrienden / maken / zullen

Slide 15 - Open question

This item has no instructions


luisteren / De docent / niet / kan.

Slide 16 - Open question

This item has no instructions


wil / zwemmen / graag / Het jongetje.

Slide 17 - Open question

This item has no instructions


De vrouw ... (maak zelf een zin)

Slide 18 - Open question

This item has no instructions

Wat is goed?

A
De jongen werkt bij Albert Heijn.
B
Albert Heijn werkt bij de jongen.
C
De jongen werken bij Albert Heijn.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Ga naar school ik.
B
Naar school ik ga.
C
Ik ga naar school.

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Hij lief is.
B
Hij is lief.
C
Is lief hij

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
De vrouw brood kan bakken.
B
De vrouw kan brood bakken.
C
Brood bakken de vrouw kan.

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Het meisje in de speelt speeltuin.
B
Het meisje de speeltuin in speelt.
C
Het meisje speelt in de speeltuin.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Ik gaan naar de film wil.
B
Naar de film ik wil gaan.
C
Ik wil naar de film gaan.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions