Lezen klas 3

Jij bent deskundig
1. We maken viertallen. 
2. Elk viertal krijgt een tekst.
3. Lees en bespreek de tekst zo goed mogelijk.
4. Zorg dat je de tekst goed genoeg kent om met anderen te kunnen delen.
5. Is de tekst gedeeld? Dan stel je elkaar vragen om de tekst van de ander nog beter te begrijpen. Gebruik steekwoorden.
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Jij bent deskundig
1. We maken viertallen. 
2. Elk viertal krijgt een tekst.
3. Lees en bespreek de tekst zo goed mogelijk.
4. Zorg dat je de tekst goed genoeg kent om met anderen te kunnen delen.
5. Is de tekst gedeeld? Dan stel je elkaar vragen om de tekst van de ander nog beter te begrijpen. Gebruik steekwoorden.

Slide 1 - Slide

Jij bent deskundig
1. We maken viertallen. 
Maak een groepje van vier personen. Het is onbelangrijk bij wie je in het groepje komt. Binnen dertig seconden heb je een groepje. Zorg dat je vlakbij elkaar zit.

Slide 2 - Slide

Jij bent deskundig
2. Elk viertal krijgt een tekst.
3. Lees en bespreek de tekst zo goed mogelijk.
Nadat je een tekst koos, ga je in tweetallen die tekst lezen. Zodra je klaar bent met lezen (drie minuten), praat je met elkaar over de tekst. Denk aan: onderwerp, hoofdgedachte, tekstindeling, tekststructuur, doel van de schrijver en jouw mening over deze tekst. Pas toe wat je dit jaar leerde.

Slide 3 - Slide

Jij bent deskundig
4. Zorg dat je de tekst goed genoeg kent om met anderen te kunnen delen.
Kijk welke informatie belangrijk voor je is. Noteer die informatie in steekwoorden. Praat met elkaar over de tekst en voeg eventueel nog wat steekwoorden toe voor een goed verhaal over jouw tekst.

Slide 4 - Slide

Jij bent deskundig
5. Jullie wisselen van groepje, waardoor je met vier andere mensen in het groepje zitten. Vertel elkaar waar de teksten over gaan en maak aantekeningen. Stel  vragen om de tekst van de ander nog beter te begrijpen. 
Luister goed naar de ander en zorg dat je (bijna net zo) deskundig wordt als de verteller.  Denk je eraan dat je goede aantekeningen maakt?

Slide 5 - Slide

Jij bent deskundig
1. Je hebt kennis gemaakt met drie teksten. 
- discriminatie       - geldzaken
- comazuipen        - onzekerheid
2. Zoek iemand op die de laatste tekst heeft gelezen.
3. Stel vragen en maak aantekeningen. 


Slide 6 - Slide

Jij bent deskundig
6. Quizvragen testen je kennis van de teksten
We gaan eens kijken hoe goed je jouw verhaal kon vertellen, hoe goed je kon luisteren naar het verhaal van de ander, hoe goed je steekwoorden waren..... en dat doen we door de volgende quizvragen te beantwoorden. 
Je mag antwoord geven via je laptop.

Slide 7 - Slide

Tekst 1 Geldzaken
Wat wordt bedoeld met de spelregels van het lenen?
A
Dat je geen rekening hoeft te houden met de regels.
B
De regels die gelden voor financiële instellingen.
C
Lenen is een spel waar regels aan vast zitten.
D
Er zijn regels waar je rekening mee houdt als je wil lenen.

Slide 8 - Quiz

Tekst 1 Geldzaken
Wat is volgens de tekst het nadeel van geld lenen?
A
Je kunt het geld direct uitgeven.
B
Je moet het geld terugbetalen met rente.
C
Je krijgt te maken met schuldeisers
D
Er zijn bijna geen nadelen.

Slide 9 - Quiz

Tekst 1 Geldzaken
Met welk doel is deze tekst geschreven?
A
informeren
B
beïnvloeden
C
overtuigen
D
activeren

Slide 10 - Quiz

Tekst 2 Comazuipen
"Het staat buiten kijf", betekent:
A
Zonder twijfel
B
Het is niet zo
C
Hij staat erbuiten
D
Het beklijft niet

Slide 11 - Quiz

Tekst 2 Comazuipers
Waar hebben 80% van comazuipers alcohol gebruikt?
A
thuis, bij vrienden en op straat
B
bij de voetbalclub en op straat.
C
bij ouders op de bank en bij de voetbalclub
D
in de kroeg, bij vrienden en op straat

Slide 12 - Quiz

Tekst 2 Comazuipers
Deze columnist concludeert:
A
dat er niets hoeft te gebeuren.
B
dat jongeren zelf aan de slag moeten
C
dat er gecontroleerd en gehandhaafd moet worden.
D
dat wederverstrekkers in het zonnetje gezet mogen worden.

Slide 13 - Quiz

Tekst 3 Discriminatie
'Het heeft vaak met fatsoen te maken', wat bedoelt Wagenaar hiermee?
A
Dat je het beste kan discrimineren op een fatsoenlijke manier.
B
Het is niet netjes om elkaar uit te schelden.
C
Als je scheldt, dan moet je rekening houden met jezelf.
D
Het is niet ideaal om elkaar uit te schelden

Slide 14 - Quiz

Tekst 3 Discriminatie
Welke vorm van discriminatie komt volgens de tekst het vaakst voor?
A
Discriminatie tegen homoseksuelen
B
Discriminatie tegen christenen
C
Discriminatie tegen moslims
D
Discriminatie tegen joden

Slide 15 - Quiz

Tekst 3 Discriminatie
Hoe wordt de tekst afgesloten?
A
Conclusie
B
Advies
C
Er is geen slot
D
Samenvatting

Slide 16 - Quiz

Tekst 4 Niet langer onzeker
Wat voor een type tekst is dit?
A
een beschouwing
B
een uiteenzetting
C
een activerende tekst
D
een betoog

Slide 17 - Quiz

Tekst 4 Niet langer onzeker
Wanneer stel je volgens de tekst te hoge eisen aan jezelf?
A
Als je niet goed weet waar je grenzen liggen
B
Als je alleen met je uiterlijk bezig bent
C
Als je alleen naar anderen kijkt.
D
Als je niet het gevoel hebt dat je een mislukking bent.

Slide 18 - Quiz

Wat betekent het woord chronisch?
A
voortdurend
B
betogend
C
afwisselend
D
eenmalig

Slide 19 - Quiz

Afsluiting
* Welke opmerking uit een tekst bleef je het meest bij?
* Welke tekst sprak jou het meest aan en hoe komt dat?

* Wat is voor jou het belang van (kranten) lezen?
* Wat vind je van de kennis die je blijkt te kunnen toepassen?

Slide 20 - Slide