3TL Les 3: Ministers en hun budgetten

Inloop
Spullen nodig voor vandaag:
-Rekenmachine
-Laptop

Inloggen in LessonUp
1 / 19
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Inloop
Spullen nodig voor vandaag:
-Rekenmachine
-Laptop

Inloggen in LessonUp

Slide 1 - Slide

Les 3
H5,3: Ministers en hun budgetten

Slide 2 - Slide

Lesplanning
Lesdoel: 
Terugblik: Particulier en Collectief                                                    (5min) 
Voorkennis:                                                                                                  (5min)
Instructie: Ministers en hun budgetten                                         (10min)
Begeleid inoefenen: Vraag 8                                                               (5min)
Zelfstandig werken: Vraag 5, 9 t/m 12                                            (15min)
Huiswerk: Vraag 5, 8 t/m 12
Evaluatie

Slide 3 - Slide

Leerdoelen
1. Ik kan uitleggen hoe de ministers hun budgetten beheren

2. Ik kan het verschil tussen subsidies en heffingen uitleggen

3. Ik kan de begroting van de overheid lezen, de staatschuld berekenen en bepalen als er een tekort of overschot is

Slide 4 - Slide

Doe je laptop open

Slide 5 - Slide

Terugblik
Horen de volgende afbeeldingen bij de collectieve sector of particuliere sector?


Zet de afbeeldingen bij de juiste sector

Slide 6 - Slide

Particuliere Sector
Collectieve Sector

Slide 7 - Drag question

Voorkennis
Hier volgen een paar zinnen. Kies het ontbrekende woord.

Slide 8 - Slide

Ik heb teveel geld uitgegeven. Ik heb een _______ op mijn budget.
A
Tekort
B
Overschot

Slide 9 - Quiz

Ik heb extra geld gekregen deze maand. Ik heb een _______ op mijn budget
A
Tekort
B
Overschot

Slide 10 - Quiz

Do je laptop dicht

Slide 11 - Slide

Instructie (1/3)
Elke minister heeft zijn eigen budget om binnen zijn ministerie te gebruiken.
Dit noemen we de rijksbegroting.

De overheid geeft subsidies uit en
krijgen heffingen (belastingen) 
binnen.

Slide 12 - Slide

Instructie (2/3)
Het Rijk moet ook budgetteren. Als de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven, heeft het Rijk geld over. Dit wordt een begrotingsoverschot genoemd. Als de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten, heeft het Rijk een tekort. Dit heet een begrotingstekort.

Als het Rijk een begrotingstekort heeft, moet het geld lenen. Daardoor stijgt de staatsschuld. De begroting en de miljoenennota wordop Prinsjesdag bekend.

Slide 13 - Slide

Instructie (3/3)

Slide 14 - Slide

Begeleid Inoefenen

Slide 15 - Slide

Zelfstandig Werken
Maak vraag 5 en 9 t/m 12 van Hoofdstuk 5 paragraaf 3 online of in je boek. Je krijgt 15 min de tijd om het af te maken.

Klaar? Dan mag je iets voor jezelf doen tot de timer voorbij is
timer
15:00

Slide 16 - Slide

Huiswerk
Vraag 5 en 8 t/m 12

Slide 17 - Slide

Evaluatie
Wat vonden jullie van de les?


Wat vond ik van de les?



Wat kunnen we anders doen?

Slide 18 - Slide

Lesafsluiting
Wanneer geeft de overheid subsidies?

Wanneer geeft de overheid heffingen?

Wanneer gaat de staatschuld omhoog?


Volgende les: Hoofdstuk 5 paragraaf 4

Slide 19 - Slide