H1 Unité 4 - Grammaire I (aller + futur proche)

H1B
Nicole
Marly
Sienna
Alexandra
Darren
Giuliano
Delayla
Fienne
Maura
Colin
Lucas
Livia
Isha
Brent
Shreyas
Seraphine
Lindsey
Olivier
Kenzo
Lina
Yara
Julian
Joey
Bas
Docent
1 / 15
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H1B
Nicole
Marly
Sienna
Alexandra
Darren
Giuliano
Delayla
Fienne
Maura
Colin
Lucas
Livia
Isha
Brent
Shreyas
Seraphine
Lindsey
Olivier
Kenzo
Lina
Yara
Julian
Joey
Bas
Docent

Slide 1 - Slide

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Denver
Sem
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent

Slide 2 - Slide

H1 le 24 mars 2025

Slide 3 - Slide

Le programme:
1. Corriger (nakijken) ex. 4,5,6
2. Aantekening werkwoord aller
3. Au travail!
4. So'tje Apprendre 1 en 2
5. Pw bespreken

Slide 4 - Slide

Lesdoel: aan het einde van de les...
- Weet ik de betekenis en de vormen van het werkwoord ''aller''
- Kan ik een toekomende tijd maken  

Slide 5 - Slide

1. Corriger ex. 4,5,6

Slide 6 - Slide

Welke onregelmatige werkwoorden ken ik al (+ vertaling)?

Slide 7 - Open question

Unité 4: het werkwoord aller 
Het werkwoord aller = gaan, is net zoals avoir en être een onregelmatig werkwoord. 
Je                vais         = ik ga
Tu                vas          = jij gaat
Il/elle/on   va            = hij/zij/men gaat
Nous          allons     = wij gaan 
Vous           allez        = jullie gaan/ u gaat
Ils/elles     vont         = zij gaan

Slide 8 - Slide

Unité 4: de futur proche - toekomende tijd 
De futur proche gebruik je om te vertellen wat je in de toekomst gaat doen (toekomst van VANDAAG). 

Hoe maak ik de futur proche?
Vorm van het werkwoord aller + heel werkwoord 

BV: Ik ga vanmiddag zwemmen (nager)
Cet après-midi, je vais nager

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Marie gaat
A
Marie vas
B
Marie va

Slide 11 - Quiz

Jullie gaan
A
Nous allons
B
Vous allez

Slide 12 - Quiz

Zet de zin in een toekomende tijd:
Les élèves (faire) les devoirs

Slide 13 - Open question

Zet de zin in een toekomende tijd
Tu (acheter) un nouveau jean?

Slide 14 - Open question

Au travail
Faire: ex. 8A t/m E blz 118-119
EX 9, 10 blz 120
Klaar : Apprendre: apprendre 1 + 2 + werkwoord aller
timer
10:00

Slide 15 - Slide