This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 15 min
Report this lesson
Items in this lesson
K5 - Grammatik C
Slide 1 - Slide
Lernziel dieser Stunde
Je weet welke voorzetsels bij de 3e naamval horen.
Je weet welke voorzetsels bij de 4e naamval horen
Je kunt de juiste naamval invullen in de zin.
Slide 2 - Slide
Huh? Wie?
Slide 3 - Slide
Stappenplan
Om te bepalen welke uitgang je moet invullen, kun je het onderstaande stappenplan gebruiken:
Stap 1) der-Gruppe of ein-Gruppe?
Stap 2) mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud?
Stap 3) 3e of 4e naamval?
Stap 4) uitgang invullen!
We gaan het in de volgende slides over stap 3 hebben!
Slide 4 - Slide
Stap 3.1 Staat er een voorzetsel in de zin?
JA
3e naamval 4e naamval
mit, nach, bei, durch, für, ohne,
seit, von, zu, aus, um, gegen, bis
außer, entgegen, entlang
gegenüber
Ich komme <span style="color: rgb(101, 212, 97)">mit</span> <span style="color: rgb(36, 165, 245)">meinem Bruder</span> zur Party.<div>ein-Gruppe, mannelijk, 3e naamval</div>
Ich habe <span style="color: rgb(101, 212, 97)">für</span> <span style="color: rgb(36, 165, 245)">meine Oma</span> Blumen gekauft.<div>ein-Gruppe, vrouwelijk, 4e naamval</div>
Slide 5 - Slide
Overzicht uitgangen der-Gruppe
der, die, das + dies-, jed-, manch-, solch-, all-, welch-