Toetsvragen in gesprek met andersdenkenden

1 / 60
next
Slide 1: Slide
GodsdienstMBOStudiejaar 1

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Voorbereiding toets
Lees de reader nog goed. 
Kijk goed naar de zelfstudievragen.

Slide 2 - Slide

In de Bijbel worden verschillende metaforen (=beelden) voorde Kerk gebruikt. Welke metafoor wordt nietgebruikt?
A
De Kerk is de bruid van Christus.
B
De Kerk is het huisgezin van God.
C
De Kerk is de kudde van de Heilige Geest
D
De Kerk is het lichaam waarvan Christus het Hoofd is.

Slide 3 - Quiz

Wat is het verschil tussen de Kerk (hoofdletter) en de kerk (kleine letter)?
A
Met de Kerk wordt het kerkverband bedoeld en met de kerk de plaatselijk gemeente.
B
Met de Kerk worden ware gelovigen bedoeld en met de kerk de zichtbare gemeente op aarde.
C
Met de Kerk wordt de gemeente bedoeld en met de kerk het gebouw waarin zij samenkomt.
D
Met de Kerk worden de belijdende leden bedoeld en met de kerk ook de gedoopte leden.

Slide 4 - Quiz

Een belangrijk onderwerp in het conflict tussen de remonstranten (Arminius) en de contra-remonstranten (Gomarus)was...
A
De inhoud van de Drie Formulieren van Enigheid tijdens de synode van Dordt (1618-1619).
B
De persoonlijke keuze van de gelovige ten aanzien van geloof en bekering.
C
De gedwongen invoering van de psalmberijming van Petrus Datheen.
D
De weigering om de vijf stellingen van de Remonstrantie op te nemen in de Dordtse Leerregels.

Slide 5 - Quiz

In de Geloofsbelijdenis wordt gesproken over één, heilige, algemene, Christelijke kerk. Welke uitleg is
onjuist?

A
De kerk is algemeen, omdat ze geen grenzen kent van land, taal of tijd.
B
De kerk is één, omdat er ondanks allerlei verschillen toch wordt samengewerkt.
C
De kerk is heilig: apart gezet voor de dienst van de Heere.
D
De kerk wordt christelijk genoemd, omdat haar Hoofd Christus is.

Slide 6 - Quiz

Het verschil tussen een kerk en een vereniging is…
A
Een vereniging is vrijblijvend, maar de kerk is niet vrijblijvend.
B
Een vereniging is een menselijke instelling, een kerk wordt door God bijeengeroepen.
C
Een vereniging bestaat uit gelijkgezinden, een kerk uit verschillende mensen.
D
Een vereniging bezoek je voor je eigen plezier, een kerk om te dienen.

Slide 7 - Quiz

De roeping van de kerk naar buiten is het doen van zendingswerk en evangelisatiewerk.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quiz

De stroming ‘Pinksterbeweging’ legt minder nadruk op de gaven van de Heilige Geest dan de stroming ‘Evangelische gemeenten’.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quiz

Reformatorischen en Evangelischen….
A
...gaan beiden uit van Gods Woord, maar verschillen over de belijdenisgeschriften.
B
...benadrukken beiden de noodzaak van een persoonlijk geloof, maar de evangelischen leren de Drie-eenheid niet.
C
...erkennen beiden Christus als de kernboodschap van de Bijbel, maar evangelischen benadrukken meer de zonde van de mens.
D
...erkennen beiden de doop in de naam van Vader Zoon en Heilige Geest, maar evangelischen zingen geen psalmen.

Slide 10 - Quiz

Wat wordt bedoeld met de naam migrantenkerken?
A
In het verleden hadden de Franse hugenoten de Waalse kerken.
B
De Molukkers hadden hun eigen Molukse kerk.
C
International Christian Fellowships (ICF) proberen alle buitenlandse christenen een geloofsgemeenschap te bieden.
D
Alle antwoorden zijn waar en er zijn nog veel meer buitenlandse kerkjes, vooral in de grote steden.

Slide 11 - Quiz

Wat is geen sacrament in de Rooms-Katholieke kerk?
A
Eucharistie
B
Celibaat
C
Biecht
D
Huwelijk

Slide 12 - Quiz

Wat voor effect heeft de doop volgens de Rooms-Katholieke Kerk?
A
Niets; het komt op het geloof aan.
B
Het maakt je voor altijd een kind van God.
C
De erfzonde wordt weggewassen
D
Als je bewust voor je Doop kiest, wast het de zonden af.

Slide 13 - Quiz

De charismatische beweging is vooral bekend vanwege de nadruk op…
A
…de bestrijding van de pinksterbeweging.
B
…de Drie Formulieren van Enigheid.
C
…de gaven van de Heilige Geest
D
… inspirerend leiderschap.

Slide 14 - Quiz

Waarop legde de Verlichting grote nadruk? Op…

A
het gevoel.
B
de geschiedenis.
C
de toekomst.
D
het verstand.

Slide 15 - Quiz

Wat wordt er bedoeld met de religieuze stroming ‘holisme’?

A
Het bestaan van God wordt niet ontkend noch erkend; ieder mens moet dat zelf ontdekken.
B
Alles in deze wereld en het heelal hangt met elkaar samen, maar er is niet één Schepper.
C
God heeft de wereld geschapen, maar is onmachtig om in te grijpen bij rampen en oorlogen.
D
De Bijbel is een inspiratiebron, maar heeft nu geen absolute zeggingskracht meer.

Slide 16 - Quiz

Atheïsten geloven niet in Gods bestaan; agnosten houden de mogelijkheid open.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quiz

De Evangelische beweging kun je onderscheiden in de volgende drie hoofdstromingen:
A
De baptistenkerken, de pinksterbeweging en de charismatische beweging.
B
De baptistenkerken, de Vergadering der Gelovigen en de opwekkingsbeweging.
C
De evangelische gemeenten, de pinksterbeweging en de charismatische beweging.
D
De evangelische gemeenten, migrantenkerken en de opwekkingsbeweging.

Slide 18 - Quiz

De bevindelijk gereformeerden leggen sterke nadruk op de doorleving van de leer.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 19 - Quiz

Wat hebben nagenoeg alle sekten gemeenschappelijk?
A
De meesten sekten onderhouden een nauwe band met de (plaatselijke of landelijke) overheid.
B
In veel sekten is meestal geen breuk met familie nodig.
C
en sekte komt vaak voort uit een bestaande religie, maar legt grote nadruk op leerstellingen die deze religie onderbelicht of niet aanwezig zijn.
D
De leiding van een sekte is altijd in handen van een groep voorgangers (sterke leiders).

Slide 20 - Quiz

Jehova's Getuigen geloven in een totale vernietiging van ongelovigen (na de Wederkomst van Christus).
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quiz

Zo ongeveer alle Jehova’s Getuigen stemmen bij verkiezingen op een christelijke partij.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quiz

Op 12-jarige leeftijd worden Joodse jongens automatisch Bar mitswa (zoon der wet).
A
Waar
B
Niet waar

Slide 23 - Quiz

De staat Israël werd in ... (opnieuw) gesticht
A
2000 v. Chr.
B
1948
C
1967
D
het jaar 0

Slide 24 - Quiz

De grote verzoendag wordt ook wel Jom Kippoer genoemd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quiz

Welk van onderstaande punten horen niet bij de vijf zuilen van de Islam?
A
De geloofsbelijdenis
B
Het gebed
C
De vergeving
D
De rituele belasting (aalmoezen aan de armen)

Slide 26 - Quiz

Wat houdt de 'sharia' in?
A
Een afgebakend hoofdstuk uit de Koran.
B
De islamitische plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt.
C
De openbaring van Allah aan Mohammed die opgetekend staat in de Koran.
D
Het verbod op het maken van afbeeldingen van niet alleen Allah, maar ook van Mohammed.

Slide 27 - Quiz

Twee verschillen tussen islam en christendom zijn:
A
De islam gelooft in engelen en in voorbeschikking.
B
De islam gelooft in de eenheid van God en in voorbeschikking.
C
De islam heeft een korte geloofsbelijdenis en je moet op bedevaart.
D
In de islam is Jezus slechts een profeet; ze geloven niet in de erfzonde.

Slide 28 - Quiz

In het Jodendom wordt het nodige gedaan aan zending en evangelisatie – Israël moet aan de volken laten zien Wie God is en hoe ze horen te leven.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Welke uitspraak over Jezus hoort bij de islam?
A
Jezus is niet gekruisigd. God zou nooit toelaten dat Zijn profeet gekruisigd zou worden!
B
Jezus is de Zoon van God, maar daarmee is Hij niet gelijk aan God de Vader.
C
Jezus is niet lichamelijk opgestaan, maar geestelijk.
D
Jezus heeft de Koran aan Mohammed overgedragen.

Slide 30 - Quiz

Hindoes geloven in een kringloop van geboren worden en sterven, Boeddhisten niet.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 31 - Quiz

Eén van de belangrijkste onderwerpen waarover je met Jehova's Getuigen zou kunnen praten is de noodzaak van wedergeboorte.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 32 - Quiz

Welke hoort bij de Drie Formulieren van Enigheid?
A
De Twaalf Artikelen
B
De Nederlandse Geloofsbelijdenis
C
De Geloofsbelijdenis van Nicea
D
Geloofsbelijdenis van Athanasius

Slide 33 - Quiz

Bevindelijk gereformeerden worden ook wel 'orthodox gereformeerden' genoemd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 34 - Quiz

Welke factoren zijn belangrijk wat betreft je houding in een gesprek met de ander over het geloof?
A
Liefde, Luisteren-Samenvatten-Doorvragen, eenvoud, probeer leer en leven te scheiden, eerlijkheid, begrip
B
Luisteren-Doorvragen-Samenvatten, kennis, hou geloof privézaak, begrip
C
Spreekvaardigheid, oprechtheid, kijken, liefde, eenvoud, respect, overtuigingskracht
D
Liefde, eenvoud, eerlijkheid, ons leven moet kloppen met wat we uitdragen, Luisteren-Samenvatten-Doorvragen, respect

Slide 35 - Quiz

De reden dat leden van de Jehova Getuigen bloedtransfusies weigeren, is...
A
Men is tegen de gewone geneeskunde, en daarom aanhanger van een natuurgeneeswijze.
B
Men gelooft dat bloed een bepalend rol speelt bij iemands (zondige) karakter en temperament.
C
Men gelooft dat de ziel van de mens in de bloedbaan geborgen is.
D
Men vertrouwt op gebedsgenezing en ziekenzalving en niet op menselijk ingrijpen.

Slide 36 - Quiz

Van Agnostenis waar:
A
Het bestaan van God wordt niet erkend, maar ook niet ontkend.
B
God wordt gezien als een hogere macht, een kracht of een energie.
C
God heeft de wereld geschapen, maar bestuurt de wereld verder niet.
D
De Bijbel is een inspiratiebron, maar heeft in deze moderne tijd geen absolute zeggingskracht meer.

Slide 37 - Quiz

Een kenmerkend verschil tussen het Jodendom en andere wereldgodsdiensten is:
A
Het Jodendom kent één God en de andere wereldgodsdiensten kennen meerdere goden.
B
In tegenstelling tot andere wereldgodsdiensten is het Jodendom gebaseerd op een heilig boek.
C
Het Jodendom kent naast een heilig boek ook de traditie; andere godsdiensten kennen dat niet.
D
Iemand is Jood vanwege geboorte en niet door het onderhouden van godsdienstige plichten.

Slide 38 - Quiz

Wat is de sharia?
A
De islamitische plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt.
B
De verzameling islamitische overleveringen over het leven en de uitspraken van Mohammed.
C
Het beschermde kleitablet waarop Mohammed de Koran heeft geschreven.
D
Een verzameling hoofdstukken uit de Koran, ook wel soera genoemd.

Slide 39 - Quiz

De islam kan samengevat worden in zes artikelen. Welke van de onderstaande uitspraken behoort niet tot de kern van de islam?
A
Allah is één, uniek en onvergelijkbaar.
B
Adam, Abraham, Mozes en Jezus waren belangrijke profeten.
C
De profetische boeken van Mozes zijn waar en onvervalst.
D
De mens heeft geen erfzonde en wordt geboren als een ‘onbeschreven blad’.

Slide 40 - Quiz

Hindoes geloven dat de mens een ziel (‘atman’) heeft. Wat is in hun leer kenmerkend voor deze atman?
A
Elf dagen dagen na de geboorte wordt tijdens de AUM-ceremonie de ziel in de baby ‘geblazen’.
B
Overleden Hindoes worden gecremeerd waarbij zowel het lichaam als de ziel vernietigd wordt.
C
Dieren hebben geen ziel en daarom mogen dieren gedood en gegeten worden.
D
De ziel wordt na het overlijden van de persoon opnieuw geboren in een ander lichaam.

Slide 41 - Quiz

Boeddhisten streven naar een volmaakt leven zonder lijden. Op welke wijze kan deze toestand van volmaaktheid bereikt worden?
A
Het belijden van fouten en gebreken aan oppergod Boeddha.
B
Het volgen van het achtvoudige pad om bevrijd te worden uit de kringloop van wedergeboorte.
C
Het lijdzaam en zonder protest aanvaarden van pijn, verdriet, ziekte en afgunst.
D
Het verrichten van een bedevaart naar het boeddhistische heiligdom.

Slide 42 - Quiz

Wat zijn belangrijke thema’s van het humanisme?
A
Afhankelijkheid van de overheid, onderlinge verbondenheid en onderscheid man & vrouw
B
Religieuze bewogenheid, onderscheid eigen bevolking & vluchtelingen en gelijkheid.
C
Broederschap, saamhorigheid en verbondenheid.
D
Waardigheid, verbondenheid tussen alle mensen, menselijke vrijheid en menselijke autonomie.

Slide 43 - Quiz

De stroming ‘Pinksterbeweging’ legt minder nadruk op de gaven van de Heilige Geest dan de stroming ‘Evangelische gemeenten’.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 44 - Quiz

Alle Jehova’s Getuigen stemmen bij verkiezingen op een christelijke partij.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 45 - Quiz

Binnen de Taizé-beweging wordt een onderscheid gemaakt tussen gematigde, vredelievende gelovigen en aanhangers van agressieve religies.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 46 - Quiz

Zowel Hindoes als Boeddhisten geloven in een vorm van reïncarnatie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 47 - Quiz

De Evangelische beweging kun je onderscheiden in de volgende drie hoofdstromingen:
A
De Evangelische beweging kun je onderscheiden in de volgende drie hoofdstromingen:
B
De baptistenkerken, de Vergadering der Gelovigen en de opwekkingsbeweging
C
De evangelische gemeenten, de pinksterbeweging en de charismatische beweging
D
De evangelische gemeenten, de Vergadering der Gelovigen en de opwekkingsbeweging

Slide 48 - Quiz

Wat is de reden dat leden vande Jehova Getuigen zich afzijdig houden van de overheid?
A
Men is tegen oorlog en daarom tegen de militaire dienstplicht.
B
Men is tegen de verplichting van de overheid om in noodsituaties bloedtransfusies toe te passen.
C
Men gehoorzaamt alleen de leiding van de organisatie als de regering waarmee God zal samenwerken bij de wederkomst.
D
Men vertrouwt geen enkele politieke partij en is daarom tegen verkiezingen.

Slide 49 - Quiz

Wat hebben nagenoeg alle sekten gemeenschappelijk?
A
Een sekte komt vaak voort uit een bestaande religie en staat daarmee op gespannen voet.
B
De meesten sekten onderhouden een nauwe band met de (plaatselijke of landelijke) overheid.
C
God heeft de wereld geschapen, maar is onmachtig om in te grijpen bij rampen en oorlogen.
D
De Bijbel is een inspiratiebron, maar heeft nu geen absolute zeggingskracht meer.

Slide 50 - Quiz

De heilige boeken van het jodendom zijn:
A
Tenach, Talmoed en Misjna.
B
Talmoed en Veda.
C
Tenach en Torah.
D
Misjna en Tenach

Slide 51 - Quiz

De Joden vieren veel feesten, bij voorbeeld:
A
Het Poerimfeest waarop het boek Esther gelezen wordt.
B
Het Wekenfeest, waarbij men een week in loofhutten woont.
C
Het Pesachfeest, waarbij men dankt voor de tarweoogst.
D
Het feest der lichten (Chanoeka) waarbij de uittocht uit Egypte wordt gevierd.

Slide 52 - Quiz

Wat houdt de sharia in?
A
Een afgebakend hoofdstuk uit de Koran, ook wel soera genoemd.
B
De openbaring van Allah aan Mohammed die opgetekend staat in de Koran.
C
De islamitische plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt.
D
Het verbod op het maken van afbeeldingen van niet alleen Allah, maar ook van Mohammed

Slide 53 - Quiz

De kern van de geloofsleer van de islam bestaat uit zes artikelen. Welke van de onderstaande onderwerpen behoort niet tot de kern van de islam?
A
Het geloof in engelen.
B
Het geloof in voorbeschikking.
C
Het geloof in een vagevuur.
D
Het geloof in een leven na de dood.

Slide 54 - Quiz

Hindoes...
A
Vinden we vooral in India
B
Komen we in Nederland vooral tegen onder de Chinezen.
C
Geloven in één God Brahman.
D
Geloven niet in een persoonlijke God.

Slide 55 - Quiz

Twee verschillen tussen islam en christendom zijn:
A
Islam gelooft in engelen en in voorbeschikking
B
In Islam is Jezus slechts een profeet; en men gelooft in de erfzonde.
C
De Islam gelooft in de eenheid van God en in voorbeschikking.
D
De Islam heeft een korte geloofsbelijdenis en je moet op bedevaart.

Slide 56 - Quiz

Jehova’s Getuigen vieren geen verjaardagen en persoonlijke gedenkdagen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 57 - Quiz

De Hadith is aanvulling op en uitleg van de Koran.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 58 - Quiz

Om in gesprek te raken met moderne Nederlanders kunnen we gebruik maken van vijf basiservaringen van alle mensen. Welke basiservaringen hoort daar niet bij?
A
Inzicht in de werkelijkheid
B
Het menselijk falen
C
Het lijden
D
De eindigheid van het bestaan van mensen

Slide 59 - Quiz

Wat zijn belangrijke thema’s van het humanisme?
A
Afhankelijkheid van de overheid, onderlinge verbondenheid en onderscheid man & vrouw.
B
Religieuze bewogenheid, onderscheid eigen bevolking & vluchtelingen en gelijkheid.
C
Waardigheid, verbondenheid tussen alle mensen, menselijke vrijheid en autonomie.
D
Broederschap, saamhorigheid en verbondenheid.

Slide 60 - Quiz