Snelcursus Geslachtsregels

Planning
-wiederholung Grammatik
-Terugblik 
-Zelfstandig werk

1 / 23
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Planning
-wiederholung Grammatik
-Terugblik 
-Zelfstandig werk

Slide 1 - Slide

Lernziele
  • Je kunt het geslacht van een woord aangeven
  • Je kunt een medeleerling uitleggen welke lidwoorden er zijn

Slide 2 - Slide

Pak allemaal je schrift + pen

Slide 3 - Slide

Geschlechte 
  • Es gibt 3 Geschlechte in der deutsche Sprache: 

  • Männlich (der)
  • Weiblich (die)
  • Sächlich (das)

Slide 4 - Slide

Männlich (der)
  • männliche Personen, Tiere oder Berufe (der Stier, der Lehrer)
  • Wochentage (der Mittwoch, der Samstag)
  • Monate (der März, der Dezember)
  • Jahreszeiten (der Frühling, der Sommer)



Slide 5 - Slide

Weiblich (die)
  • weibliche Personen, Tiere oder Berufe
  • viele Wörter mit -e (80%)
  • Endet auf -heit, -keit, -schaft, -ion, -ung, -ei
  • die Tochter, die Kuh, die Busfahrerin
  • die Freiheit, Fröhlichkeit, Gesellschaft, Lektion, Umgebung
  • die Nase


Slide 6 - Slide

Sächlich (das)
  • Viele niederländische 'het' Wörter
  • Endet auf -chen, lein (Verkleinerungen)


  • das Haus, das Jahr, das Lied
  • das Mädchen, das Büchlein


Slide 7 - Slide

Extra info
  • Sommige woorden zijn samengesteld, bijvoorbeeld:
  • das Fahrrad (het rijwiel, de fiets)
  • das Königshaus

  • In zo'n geval bepaalt het laatste deel van een woord het lidwoord. 
  • Pak nu je iPad en log in!


Slide 8 - Slide

Vul het juiste lidwoord in

..... Mann
A
der
B
die
C
das

Slide 9 - Quiz

Vul het juiste lidwoord in

.... Kuh
A
der
B
die
C
das

Slide 10 - Quiz

Sleep de juiste uitleg naar het juiste geslacht
Mannelijk (der)
Vrouwelijk (die)
Onzijdig (das)
Persoon of dier (m)
Weekdagen
Maanden
Persoon of dier (v)
Eindigt op -heit, -keit
Eindigt op -ion, -ung
Eindigt op -chen, -lein
Eindigt op -schaft
Eindigt op -e (80%)
'het' woord in NL (80%)

Slide 11 - Drag question

Vul het juiste lidwoord in

.... Nase (neus)
A
der
B
die
C
das

Slide 12 - Quiz

Vul de juiste lidwoorden in

Wir sehen uns ...... Spiel gegen ..... deutsche Mannschaft an.
A
die, der
B
das, der
C
der, das
D
das, die

Slide 13 - Quiz

Vul het juiste lidwoord in (der, die, das):

Wo hast du ......... Mädchen gesehen?

Slide 14 - Open question

Vul het juiste lidwoord in (der, die, das):

...... Freiheit der Menschen finde ich sehr wichtig.

Slide 15 - Open question

Vul het juiste lidwoord in (der, die, das):

Ich kann ....... Fahrrad nicht mehr finden.

Slide 16 - Open question

Wanneer gebruik je ein, eine, keine?
Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Meervoud
eine
ein
keine
ein

Slide 17 - Drag question

Kijk nu terug naar de lesdoelen:
-Kun je het geslacht van een woord aangeven? 
-Kun je een medeleerling uitleggen welke lidwoorden er zijn?

Bespreek dit met degene naast je!

Slide 18 - Slide

Aan het werk...
- Aufgabe 3 und 4 Schritt 31
- Arbeitsbuch Seite 84-85
-Fertig? Verdieping of extra oefening via  https://oscarromerotalen.nl/Duits/Oefeningen/Grammatica.htm
Oefeningen 4-1 en 4-2
Geen behoefte aan? Verder lezen in ons boekje (Müllmaffia)

Slide 19 - Slide

Dus:
mannelijke woorden krijgen der of ein als lidwoord.
vrouwelijke woorden krijgen die of eine als lidwoord.
onzijdige woorden krijgen das of ein als lidwoord.
woorden in het meervoud krijgen die of meine/ keine/ ... als lidwoord. 

Okee... onthoud dit goed. We gaan nu kort naar de lidwoorden. 

Slide 20 - Slide

... Tante
A
die
B
das
C
der

Slide 21 - Quiz

... Haus (het)
A
die
B
das
C
der

Slide 22 - Quiz

... Bruder
A
ein
B
eine

Slide 23 - Quiz