Koppelwerkwoorden (ZIJN): zijn, worden, schijnen, lijken, blijken, blijven, heten, dunken, voorkomen
Zelfstandige werkwoorden (DOEN):
werken, koken, lopen, fietsen, zwemmen, lezen, slapen
Hulpwerkwoorden:
de werkwoorden die helpen om tot een complete zin te komen (ik heb geslapen, mijn oma zit te lezen, mijn zus wordt opgehaald, ...)
Wederkerende werkwoorden:
zich vermaken, zich vergissen, zich wassen