Een samengestelde zin is een zin die opgebouwd is uit twee of meer kortere zinnen. Deze zinnen zijn samengevoegd.
Bij een samengestelde zin is er vaak een voegwoord aanwezig.
Slide 2 - Slide
Hoeveel persoonsvormen staan er minimaal in een samengestelde zin?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 3 - Quiz
Persoonsvorm(en) in deze zin: Ik verwachte het onverwachte, terwijl dat maar niet kwam.
A
Ik, dat
B
verwachte, kwam
C
het onverwachte, dat
D
terwijl, maar
Slide 4 - Quiz
Persoonsvorm(en) in deze zin: Terwijl zij doorpraat, doe ik het raam dicht.
A
Terwijl, doe
B
zij, ik
C
doorpraat, doe
D
het raam
Slide 5 - Quiz
Persoonsvorm(en) in deze zin: Hij speelde de bal over links, terwijl er over rechts meer ruimte was.
A
speelde, was
B
speelde, terwijl
C
hij, er
D
over links, over rechts
Slide 6 - Quiz
Persoonsvorm(en) in deze zin: Toen Sheila thuiskwam, kon de oppas naar huis.
A
thuiskwam, de oppas
B
Sheila, de oppas
C
toen, kon
D
thuiskwam, kon
Slide 7 - Quiz
Voegwoord(en) in deze zin: Ik bied haar een stoel aan, zodat ze kan zitten.
A
bied aan
B
zodat
C
kan
D
zitten
Slide 8 - Quiz
Voegwoord(en) in deze zin: Koert werkt graag met Jamal, omdat hun samenwerking goed is.
A
Koen
B
Jamal
C
omdat
D
goed
Slide 9 - Quiz
Voegwoord(en) in deze zin: Laat mij dat maar doen en anders vraag ik het aan Patrick.
A
Laat
B
Vraag
C
en anders
D
en
Slide 10 - Quiz
Voegwoord(en) in deze zin: Terwijl hij de bal uit de sloot haalt, schiet Piet een andere bal in de sloot.
A
Terwijl
B
schiet
C
Piet
D
de bal
Slide 11 - Quiz
Welke vraag stel je om het lijdend voorwerp te vinden?
Slide 12 - Open question
Lv uit de volgende zin: Claudia legt enkele koekjes op een schaal.
A
Claudia
B
legt
C
enkele koekjes
D
op een schaal.
Slide 13 - Quiz
Lv uit de volgende zin: Hij hoorde later het juiste antwoord van haar.
A
Hij
B
hoorde
C
later
D
het juiste antwoord
Slide 14 - Quiz
Lv in de volgende zin: Ze draagt een zware koffer naar boven.
A
Ze
B
draagt
C
een zware koffer
D
zware koffer
Slide 15 - Quiz
Lv in de volgende zin: Die middag geeft hij haar een luxe pen cadeau.
A
een luxe pen
B
cadeau
C
geeft
D
hij
Slide 16 - Quiz
Lv in de volgende zin: Kim vervangt de versleten remkabels in een mum van tijd.
A
in een mum van tijd
B
Kim
C
vervangt
D
de versleten remkabels
Slide 17 - Quiz
Voltooid deelwoord
Als je wilt vertellen dat iets al gebeurd is, dan gebruik je een voltooid deelwoord. Bij een voltooid deelwoord staat vaak een vorm van hebben, zijn of worden.
Slide 18 - Slide
Vervoeging werkwoord 'zijn'
Slide 19 - Open question
Vervoeging werkwoord 'worden'
tt - Ik word tt - Hij/Zij/Het wordt tt - Wij/Zij/Jullie worden vt - Ik werd vt - Hij/Zij/Het werd vt - Wij/Zij/Jullie werden vd - Ik ben geworden
Slide 20 - Slide
Vervoeging werkwoord 'hebben'
Slide 21 - Open question
Juiste vorm van vd: De broers zijn ... met basketbal.
A
stopt
B
gestopt
C
gestopd
D
gestoppt
Slide 22 - Quiz
Juiste vorm van vd: Erik heeft de rekening contant ... .
A
betaalt
B
betaald
C
betaaldt
Slide 23 - Quiz
Juiste vorm van vd: Louise is van haar fiets ... .
A
afgestapt
B
afgestapd
C
afgestapdt
Slide 24 - Quiz
Juiste vorm van vd: Marieke is naar Spanje ... .
A
verhuist
B
verhuisd
C
verhuisdt
Slide 25 - Quiz
Juiste vorm van het werkwoord: Sascha ... het Tikkie aan Joke.
A
betaalt
B
betaaldt
C
betaald
Slide 26 - Quiz
Juiste vorm van het werkwoord: Joke ... gisteren het geldbedrag op haar rekening.