Leerjaar 2 - Schrijfregels

Leerjaar 2 - Schrijfregels
1 / 36
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Leerjaar 2 - Schrijfregels

Slide 1 - Slide

RICHTIG oder FALSCH?

Slide 2 - Slide

1. Lieber Max,
A
richtig
B
falsch

Slide 3 - Quiz

2. Liebe Anna
A
richtig
B
falsch

Slide 4 - Quiz

3. Tschüs!
A
richtig
B
falsch

Slide 5 - Quiz

4. Alles Liebe
A
richtig
B
falsch

Slide 6 - Quiz

5. Deine Maria
A
richtig
B
falsch

Slide 7 - Quiz

6. Deiner Alexander
A
richtig
B
falsch

Slide 8 - Quiz

7. Dein Tom
A
richtig
B
falsch

Slide 9 - Quiz

SLEEP vraag
Vertaal de woorden / zinnen. 

Slide 10 - Slide

Lieber Kristian, 
wie geht es dir?
Ik zit in de tweede klas.
Op wat voor school zit jij?
Beste Kristian,
Ik zit nu op de mavo/havo/
Ich gehe jetzt auf die Realschule. 
Ich gehe in die 8. Klasse. 
Auf welche Schule gehst du?
Dein Mark
Mark
hoe gaat het met jou?

Slide 11 - Drag question

Wähle die richtige Antwort

Slide 12 - Slide

8. Beste Martin,
A
Liebe Martin
B
Lieber Martin
C
Liebe Martin,
D
Lieber Martin,

Slide 13 - Quiz

9. Na de aanhef begin de je de eerstvolgende zin met een:
A
HOOFDLETTER
B
kleine letter

Slide 14 - Quiz

10. Afsluiting van Tess
A
Deine Tess
B
Dein Tess
C
Deine Tess.
D
Dein Tess.

Slide 15 - Quiz

11. Beste Saskia,
A
Liebe Saskia
B
Lieber Saskia
C
Liebe Saskia,
D
Lieber Saskia,

Slide 16 - Quiz

12. Afsluiting van Johan
A
Deine Johan
B
Dein Johan
C
Deine Johan!
D
Dein Johan!

Slide 17 - Quiz

Und weiter mit ...

Slide 18 - Slide

1. und 4. Fall

Slide 19 - Slide

Wähle die richtige Antwort

Slide 20 - Slide

1. Er zijn twee zinsdelen die 1e naamval krijgen, welke zijn dat?
A
onderwerp
B
persoonsvorm
C
lijdend voorwerp
D
naamwoordelijk deel van het gezegde

Slide 21 - Quiz

2. Er zijn twee zinsdelen die 4e naamval krijgen, welke zijn dat?
A
onderwerp
B
tijdsbepaling zonder voorzetsel
C
lijdend voorwerp
D
naamwoordelijk deel van het gezegde

Slide 22 - Quiz

3. Een naamwoordelijk deel van het gezegde herken je aan de volgende werkwoorden:
A
sein, werden
B
werden, bleiben
C
bleiben, heißen
D
heißen, sein

Slide 23 - Quiz

Welcher Fall?
Wähle die richtige Antwort.

Slide 24 - Slide

4. In der Pause esse ich [mein Pausenbrot].
A
1e naamval
B
4e naamval

Slide 25 - Quiz

5. Die Lehrerin ist [eine nette, hübsche Frau].
A
1e naamval
B
4e naamval

Slide 26 - Quiz

6. Meine Schwester hat [dieses Jahr] vierzehn verschiedene Fächer.
A
1e naamval
B
4e naamval

Slide 27 - Quiz

7. [Die Prüfung in Englisch] finde ich schwierig.
A
1e naamval
B
4e naamval

Slide 28 - Quiz

8. [Mein Freund] bekommt jede Woche Nachhilfe.
A
1e naamval
B
4e naamval

Slide 29 - Quiz

der-Gruppe und ein-Gruppe
Wähle die richtige Antwort.

Slide 30 - Slide

9. [deze] Witz (m)
A
der
B
dieser
C
das
D
dies

Slide 31 - Quiz

10. [mijn] Mutter
A
ein
B
eine
C
meine
D
mein

Slide 32 - Quiz

11. [het] Zeugnis (o)
A
der
B
die
C
das
D
ein

Slide 33 - Quiz

12. [elke] Prüfung
A
solche
B
welche
C
diese
D
jede

Slide 34 - Quiz

13. [jullie] Noten (mv)
A
euere
B
ihr
C
ihre
D
euer

Slide 35 - Quiz

Und jetzt...

Slide 36 - Slide