Herh 6.1 en 6.2

Wat is het Pleistoceen en wat heeft dat met glacialen te maken?
A
Het Pleistoceen is een geologisch tijdperk met alleen warme tijden
B
Het Pleistoceen startte 10.000 jaar geleden tot nu met ijstijden
C
Het Pleistoceen is een interglaciaal van 200.000 jaar geleden
D
Het Pleistoceen is een geologisch tijdperk met glacialen
1 / 21
next
Slide 1: Quiz
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Wat is het Pleistoceen en wat heeft dat met glacialen te maken?
A
Het Pleistoceen is een geologisch tijdperk met alleen warme tijden
B
Het Pleistoceen startte 10.000 jaar geleden tot nu met ijstijden
C
Het Pleistoceen is een interglaciaal van 200.000 jaar geleden
D
Het Pleistoceen is een geologisch tijdperk met glacialen

Slide 1 - Quiz

Nederland werd voor ijstijd opgebouwd uit:
A
op elkaar geperste gesteentelagen
B
sediment uit de rivieren

Slide 2 - Quiz

Hoe kwamen die grote stenen in ons land
A
Die werden door de gletsjer meegenomen
B
Die waren er al
C
Die sjouwden de mensen overal mee naar toe
D
weten we niet

Slide 3 - Quiz

Nederland ligt in de 
Hier stroomt het water
Daardoor is hier 
bovenloop 
benedenloop 
langzaam 
snel 
erosie 
sedimentatie 

Slide 4 - Drag question

Het terugtrekken van de zeespiegel
A
transgressie
B
regressie
C
agressie
D
decompressie

Slide 5 - Quiz

2 redenen voor transgressie
A
smeltende ijskappen minder verdamping
B
smeltende ijskappen bodemdaling
C
minder verdamping bodemdaling
D
transgressie is fake news

Slide 6 - Quiz

Kustontwikkeling sinds 5850 jaar geleden

Slide 7 - Drag question

De eerste fase van de Saale-ijstijd zorgde voor:
A
Stuwwallen
B
Keileem als bodem
C
Keileemkoppen
D
Tongbekkens

Slide 8 - Quiz

Wanneer had Nederland te maken met rivieren zoals in de figuur?
A
in de ijstijd voor de Saale - ijstijd
B
tijdens het Holoceen
C
tijdens het Pleistoceen
D
tijdens interglacialen

Slide 9 - Quiz

Welke uitspraak is juist?
A
Keileem komt niet in Zuid-Limburg voor
B
Keileemkoppen zijn hoger dan stuwwallen
C
Loss is een grondsoort die in Nederland overal voorkomt
D
Tijdens de Saale -ijstijd hebben de RIjn en de maas een andere richting gekregen, van het oosten naar het noorden.

Slide 10 - Quiz

Welk soort rivier stroomde vooral in Nederland in ijstijd?
A
Meanderende rivieren
B
Anastomoserende riveren
C
Vlechtende rivieren
D
Gevlechte rivieren

Slide 11 - Quiz

Waar in de rivier zal je een puinwaaier vooral vinden?
A
Bovenloop
B
Middenloop
C
Benedenloop
D
Rivierscheiding

Slide 12 - Quiz

Wat is geen glaciale landschapsvorm?
A
Tongbekkens
B
Stuwwallen
C
Keileemkoppen
D
Strandwallen

Slide 13 - Quiz

Wat is relatieve zeespiegelstijging?
A
De absolute zeespiegelstijging ten opzicht van NAP
B
De zeespiegelstijging ten opzichte van de dijkhoogte
C
De absolute zeespiegelstijging én de bodemdaling
D
De bodemdaling gecompenseerd door temperatuurverhoging

Slide 14 - Quiz

Sleep de grondsoort naar de juiste uitleg!
Grondsoort die bestaat uit (half) vergane plantenresten
Duinen die vanaf ongeveer 6.000 jaar geleden tot ongeveer het jaar 800 zijn gevormd
Duinen die vanaf ongeveer het jaar 800 zijn gevormd
Afzettingen van (zand en) klei in het waddengebied achter de oude duinen
Jonge duinen
Veen
Oude duinen
Oude zeeklei

Slide 15 - Drag question

Wat is keileem?
A
Onder landijs fijngemalen afzetting, die bestaat uit een mengsel van keien en fijngemalen leem
B
Een laag oude zeeklei
C
Een mengsel van zeeklei en leem
D
Een door mensen samengestelde grondsoort

Slide 16 - Quiz

In het Salien kwam
het landijs tot de lijn...
A
Ameland, Groningen, Emmen
B
Den Helder, Zwolle, Enschede
C
Haarlem, Utrecht, Nijmegen
D
Rotterdam, Den Bosch, Venlo

Slide 17 - Quiz

Er kunnen meerdere woorden per plek!
Keileemkoppen
Stuwwallen
Löss
Tongbekkens
Zand en grind
Heuvels

Slide 18 - Drag question

Waar komt het zand vandaan dat na het Salien over Nederland is neergelegd?
A
Uit de Alpen (door de Rijn meegebracht).
B
Uit Scandinavië (door het landijs meegebracht).
C
Uit Duitsland (door de wind neergelegd)
D
De bodem van de Noordzee (door de wind neergelegd).

Slide 19 - Quiz

Hoe is jonge zeeklei onstaan?
A
Plantenresten verteerden niet
B
Zand werd kapot gedrukt tot kleine korrels
C
Doordat oude zeeklei weer boven de grond kwam
D
Door overstromingen achter de duinen

Slide 20 - Quiz

Zet in de goede volgorde
(van oud naar jong):
A
puinwaaier - dekzand - stuwwal - basisveen - jonge zeeklei
B
dekzand - basisveen -stuwwal - puinwaaier - jonge zeeklei
C
stuwwal - puinwaaier - dekzand - jonge zeeklei - basisveen
D
puinwaaier - stuwwal - dekzand - basisveen - jonge zeeklei

Slide 21 - Quiz