Woordenschat

1 / 17
next
Slide 1: Slide
Nederlands

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

5 vragen over wat het woord betekent

Slide 2 - Slide

Wat betekent deprimerend?
A
Je voelt je vervelend
B
Je voelt je blij
C
Je voelt je moe
D
Je voelt je deprisief

Slide 3 - Quiz

Wat betekent aspirine?
A
Een illegale drug
B
Een pijnstiller
C
Een vaccin
D
Een middel dat pijn veroorzaakt.

Slide 4 - Quiz

Wat betekent nonchalant?
A
Slordig
B
Precies
C
Nauw
D
Exact

Slide 5 - Quiz

Wat betekent schizofrenie?
A
Last hebben van hallucinaties
B
Last hebben van corona
C
Last hebben van de pest
D
Last hebben van stress

Slide 6 - Quiz

Wat betekent leemten?
A
Te veel
B
Genoeg
C
Gemis
D
Te exuberant

Slide 7 - Quiz

5 vragen over de betekenis van een woord

Slide 8 - Slide

Welk woord betekent verbuiging?
A
Hersenschim
B
Verkromming
C
Verdraaiing
D
Verwringing

Slide 9 - Quiz

Welke woord is een spel?
A
Skaat
B
Mikano
C
3 achter elkaar
D
Mynecraft

Slide 10 - Quiz

Wat is een Mantra?

A
Een film
B
Een serie
C
Een gedicht
D
Een tekening

Slide 11 - Quiz

Hoe noem je de diameter van een kogel of van een projectiel?
A
Pi
B
Moerbeinijn
C
Kaliber
D
Asprine

Slide 12 - Quiz

Welke woord hoort bij een droom in coma?
A
Comadroom
B
Droomcoma
C
Droom
D
Coma

Slide 13 - Quiz

5 vragen waar een synoniem wordt gevraagd.

Slide 14 - Slide

Wat is een synoniem van gummiknuppel?
A
Wapenstok
B
Honkbalknuppel
C
Knuppel
D
Gummibeer

Slide 15 - Quiz

Wat is een synoniem van verkwijnende?
A
Vereren
B
Veroveren
C
Verdenken
D
Verwachten

Slide 16 - Quiz

Wat is een synoniem van ?
A

Slide 17 - Quiz