Examens Nederlands 3F/ lezen & schrijven

Planning voor deze les


  • Schrijfvaardigheid oefenen;
  • Leesvaardigheid oefenen;
  • Starten met oefenexamen lezen, kijken & luisteren.
1 / 36
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Planning voor deze les


  • Schrijfvaardigheid oefenen;
  • Leesvaardigheid oefenen;
  • Starten met oefenexamen lezen, kijken & luisteren.

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Examens Nederlands



1. Schrijven 3F

2. Lezen & luisteren

3. Spreken

4. Gesprekken


Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Schrijven

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Goed gespeld
Fout gespeld
bedankt voor uw reactie
bedankt voor u reactie
doormiddel van
door middel van
ik ben opzoek
ik ben op zoek
zomer vakantie
zomervakantie
uitgelegt
uitgelegd
terug geven
teruggeven
na aanleiding van
naar aanleiding van

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Zinsbouw controleren en verbeteren
  • Kijk goed welke zinnen te lang zijn of welke korte zinnen je kunt verbinden met een voegwoord. 

  • Maak een zin niet langer dan ongeveer twintig woorden.

  • Gebruik verwijswoorden en synoniemen of korte omschrijvingen om saaie herhaling van woorden te voorkomen.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Het bedrijf waar ik stage loop heet Jansen. Het bedrijf is in Utrecht. Het bedrijf heeft 150 medewerkers. De medewerkers zijn verdeeld over drie afdelingen. De drie afdelingen zijn: administratie, sales, reparatie. Het bedrijf bestaat sinds 1980.

Slide 6 - Open question

This item has no instructions

Tijdens uw vakantie kunt u raften op onze camping. Ook kunt u op onze camping een cursus bergbeklimmen volgen en ook is er op onze camping een groot buitenzwembad met glijbaan. Op onze camping is ook een grote barbecueplaats.

Slide 7 - Open question

This item has no instructions

Borstel regelmatig de vacht van uw hond. In de vacht kunnen knopen ontstaan. Met de borstel haalt u de losse haren uit de vacht. Het borstelen van de vacht stimuleert ook de bloedsomloop. De vacht van uw hond zal er beter uit gaan zien.

Slide 8 - Open question

This item has no instructions

In de koelkast groeien bacteriën en schimmels nauwelijks en het is daarom belangrijk om bederfelijk eten in de koelkast te bewaren die je dan op 4°C instelt, want bij deze temperatuur bederven producten minder snel en ook ziekteverwekkers groeien nauwelijks.

Slide 9 - Open question

This item has no instructions

Het is slim om je paard op te zadelen volgens een vaste volgorde, dat geeft je paard zekerheid en daarom wordt er overal vanaf de linkerkant een paard opgezadeld, terwijl je ook prima je paard kan aanleren dat hij vanaf de rechterkant wordt opgezadeld, dat is geen enkel probleem totdat iemand anders hem op gaat zadelen en het ineens vanaf de linkerkant doet.

Slide 10 - Open question

This item has no instructions

Lezen & luisteren

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Het Cito-examen lezen, kijken en luisteren 3F
  1. Oefenen via Facet (zie linkje op It's Learning)
  2. Oefenen via examensprint op Nu Nederlands online;



Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Soorten examenvragen
  1. De meeste vragen testen of je begrijpt waar een tekst of fragment over gaat, of je hoofd- en bijzaken kunt onderscheiden, of de inhoud betrouwbaar is, enz.

  2. Af en toe krijg je een vraag over de betekenis van een woord of een zin.

Voorbeeld vraag over betekenis woord / zin

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Vragen over tekstdoelen - welke vier tekstdoelen zijn er ook al weer?

Slide 14 - Open question

This item has no instructions

Informeren
Instrueren
Overtuigen
Activeren
Betoog
Recept
Gebruiksaanwijzing
Nieuwsbericht
Interview
Ingezonden brief
Opiniestuk
Reclamefolder
Recensie
Achtergrondartikel

Slide 15 - Drag question

This item has no instructions

Vragen over onderwerp en hoofdgedachte
Onderwerp - waar gaat de tekst over in een of enkele woorden?

Hoofdgedachte - wat wordt er in één zin over dat onderwerp gezegd in de tekst ? (Ook wel: de kortst mogelijke samenvatting van de tekst)

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

In welk tekstdeel wordt de hoofdgedachte vaak herhaald of samengevat?
A
In de inleiding
B
In de lead
C
In de tweede alinea
D
In het slot

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Vragen over tekstrelaties
Tekstverbanden
Wat voor een verband hebben twee of meerdere alinea's met elkaar?

Signaalwoorden
Woorden die een signaaltje afgeven waaraan je het tekstverband kunt herkennen.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Conclusie
Tegenstelling
Reden / argument
Oorzaak-gevolg
hoewel
dus
kortom
doordat
echter
want
daarom
toch
desondanks
als gevolg van
omdat
concluderend
maar

Slide 19 - Drag question

This item has no instructions

Vragen over de functie van een tekstdeel
Bijvoorbeeld:
  1. Wat is de functie van de eerste vetgedrukte alinea?
  2. Wat is de bedoeling van het tekstdeel in het kader?

Let op:
  • De inhoud van de tekst
  • De plaats van een tekstdeel (inleiding / slot)
  • De vormgeving en manier van presenteren

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Welke functies kan een inleiding van een tekst hebben?
A
Nieuwsgierig maken
B
Onderwerp introduceren
C
Conclusie geven
D
Aankondigen hoe de tekst in elkaar zit

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Vragen over feiten en meningen - wat is het verschil tussen feiten en meningen?

Slide 22 - Open question

This item has no instructions

Bestaat een informatieve tekst alleen maar uit feiten?
A
Ja, er worden geen meningen in genoemd
B
Nee, in een informatieve tekst staan vaak feiten, maar er kunnen net zo goed meningen in staan
C
Nee, in een informatieve tekst worden vooral meningen genoemd, maar wel van voor- & tegenstanders

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Standpunten en argumenten
Standpunt - de mening die iemand over een onderwerp heeft.
Ik vind dat... / Mijn mening is...

Argument - redenen waarmee je een ander overtuigt om er net zo over te denken.
Want, daarom, omdat, 

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn aanwijzingen voor een betrouwbare tekst?
A
Voor- en tegenstanders komen allebei aan het woord.
B
De auteur of programmamaker neemt zelf een duidelijk standpunt in.
C
Feiten worden objectief beschreven en de bronnen worden vermeld.
D
De naam van de schrijver staat vermeld bij de tekst.

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Een redenering beoordelen
  • Kloppen de aangevoerde feiten wel of zijn ze (deels) onjuist of onvolledig?

  • Zijn de feiten representatief of laten ze maar één kant van de zaak zien?

  • Zijn de argumenten die gegeven worden subjectief of objectief?

  • Is het argument wel geldig of is het eigenlijk een drogreden?

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Werklozen zijn te beroerd om te werken, dat zie je wel aan mijn buurman die ook werkloos is.
A
onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
B
verkeerde vergelijking
C
cirkelredenering
D
generalisatie

Slide 27 - Quiz

Op basis van te weinig gegevens stelt iemand een algemene regel vast
Iemand die niet vooraf een proefexamen maakt, haalt een slecht resultaat. Jim heeft een onvoldoende, dus hij heeft het proefexamen niet gemaakt.
A
onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
B
verkeerde vergelijking
C
cirkelredenering
D
generalisatie

Slide 28 - Quiz

Een foute conclusie trekken; een verkeerde voorstelling van oorzaak en gevolg.
“Ik ben geen kleptomaan, want ik steel niet.”
A
onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
B
verkeerde vergelijking
C
cirkelredenering
D
generalisatie

Slide 29 - Quiz

Een spreker of schrijver gebruikt bij een cirkelredenering de bewering als het argument zelf. Vaak geeft de spreker of schrijver een definitie of omschrijving van de bewering in zijn argument, zoals in onderstaand voorbeeld een niet-kleptomaan per definitie niet steelt.
Dat hoef ik niet te bewijzen, dat is gewoon zo!
A
Verkeerd autoriteitsargument
B
Beroep op traditie
C
Persoonlijke aanval
D
Ontduiken van bewijslast

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Vragen over toon en houding
De deelnemers aan een gesprek kunnen zich op verschillende manieren opstellen. Hun houding kan neutraal zijn, maar ook partijdig, kritisch, verontwaardigd, enthousiast of afwijzend. Dat merk je aan de inhoud van wat ze zeggen, en aan de toon waarop.

Voor een leestekst geldt eigenlijk hetzelfde. Iemand die kritisch is, spreekt of schrijft anders dan iemand die enthousiast is.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

1

Slide 32 - Video

This item has no instructions

Examens Nederlands...
wat wat jij nog oefenen?

Slide 33 - Mind map

This item has no instructions

00:57
Welke houding heeft Anton Damen tegenover de Landelijke Opschoondag?
A
Enthousiast
B
Neutraal
C
Afwijzend
D
Kritisch

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Uitleg antwoord
Anton Damen zegt o.a.:
"Maar wat ik moeilijk vind..."
"Komt op mij hypocriet over..."
Hij geeft aan dat de opschoondag wordt georganiseerd door mensen die er juist voor kunnen zorgen dat er minder zwerfafval is, namelijk de verpakkingsindustrie. 

Anton Damen is dus kritisch. 

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Zelf oefenen
  • Maak een oefenexamen in Examensprint

Slide 36 - Slide

This item has no instructions