Leesvaardigheidstraining signaalwoorden

Vandaag
Leesvaardigheid
Duits
1 / 40
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Vandaag
Leesvaardigheid
Duits

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Signaalwoorden

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Welke signaalwoorden ken je?

Slide 3 - Mind map

This item has no instructions

Signaalwoorden
  • Signaalwoorden geven verbanden weer: verbanden tussen zinnen of verbanden tussen alinea's. 
z.B. Wie verhält sich der 4. Absatz zum 2. Absatz?

  • Signaalwoorden geven ook informatie over de opbouw van een tekst
z.B. opsomming, conclusie, tegenstelling

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Opsomming
und - en
zudem - bovendien
außerdem - bovendien
dann - dan, vervolgens
(zu)erst - ten eerste 


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Franziska vindt het zielig voor dieren als ze moeten worden geslacht voor de vleesproductie. 
Welke drie andere redenen noemt ze in alinea 2 waarom mensen vegatariërer zouden moeten worden?
timer
2:00

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Welke drie andere redenen noemt ze in alinea 2 waarom mensen vegetariër zouden moeten worden?

Slide 7 - Open question

This item has no instructions

Franziska vindt het zielig voor dieren als ze moeten worden geslacht voor de vleesproductie. 
Welke drie andere redenen noemt ze in alinea 2 waarom mensen vegatariërer zouden moeten worden?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Tegenstelling
doch - toch, echter
sondern - maar
statt - in plaats van 
trotzdem - toch, desondanks
aber - maar
obwohl - hoewel
trotz - ondanks
während - terwijl

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Alinea 2 bestaat uit twee delen. 
In het eerste deel wordt een positieve kijk op de baan van "Animateur" gegeven.
In het tweede deel wordt de nadelige kant van deze baan besproken. 
   Schrijf de eerste twee Duitse woorden op van deel 2. 
timer
1:30

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Alinea 2 bestaat uit twee delen.
In het eerste deel wordt een positieve kijk op de baan van "Animateur" gegeven.
In het tweede deel wordt de nadelige kant van deze baan besproken.
Schrijf de eerste twee Duitse woorden op van deel 2.

Slide 11 - Open question

This item has no instructions

Alinea 2 bestaat uit twee delen. 
In het eerste deel wordt een positieve kijk op de baan van "Animateur" gegeven.
In het tweede deel wordt de nadelige kant vn deze baan besproken. 
   Schrijf de eerste twee Duitse woorden op van deel 2. 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Reden / oorzaak 
denn = want
weil = omdat
schließlich = per slot van rekening
nämlich = namelijk
deswegen = daarom 

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Waarom ontsloeg een bazin haar 21-jarige werknemer?
Volgens haar...
A bracht hij zijn ziekte herstel in gevaar.
B had hij leugens over haar op Facebook gezet.
C had hij zich ten onrechte ziek gemeld.
D zat hij te vaak op Facebook tijdens werktijd. 
timer
1:00

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Waarom ontsloeg een bazin haar 21-jarige werknemer?
Volgens haar...
A
bracht hij zijn ziekte herstel in gevaar.
B
had hij leugens over haar op Facebook gezet.
C
had hij zich ten onrechte ziek gemeld.
D
zat hij te vaak op Facebook tijdens werktijd.

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Waarom ontsloeg een bazin haar 21-jarige werknemer?
Volgens haar...
A bracht hij zijn ziekte herstel in gevaar.
B had hij leugens over haar op Facebook gezet.
C had hij zich ten onrechte ziek gemeld.
D zat hij te vaak op Facebook tijdens werktijd. 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Benadrukking
besonders = in het bijzonder, vooral
selbst = zelfs
sogar = zelfs
vor allem = in het bijzonder, vooral 

Slide 17 - Slide

Verder met M3A
Was findet Andrea so toll an ihrem Job? (Absatz 3) 
Dass sie...

A Kritik an Kollegen üben darf.
B über regionale Ereignisse berichten darf.
C sich oft mit neuen Sachen befassen kann.
D unter hohem Zeitdruck leisten muss. 
timer
1:30

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Was findet Andrea so toll an ihrem Job? (Absatz 3)
Dass sie...
A
Kritik an Kollegen üben darf.
B
über regionale Ereignisse berichten darf.
C
sich oft mit neuen Sachen befassen kann.
D
unter hohem Zeitdruck leisten muss.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Was findet Andrea so toll an ihrem Job? (Absatz 3) 
Dass sie...
A Kritik an Kollegen üben darf.
über regionale Ereignisse berichten darf.
C sich oft mit neuen Sachen befassen kann.
D unter hohem Zeitdruck leisten muss. 

Slide 20 - Slide

Verder met V3A

Bevestiging
klar = vanzelfsprekend, natuurlijk
natürlich = vanzelfsprekend, natuurlijk
tatsächlich = inderdaad, zeker
wirklich = inderdaad, zeker 

Slide 21 - Slide

Verder met H3A en H3B

Was wird im 1. Absatz über den Meisterdieb deutlich?
A Er hat gestohlen um Eindruck zu machen. 
B Er hielt sein Wort. 
C Er war mehr ein Angeber als ein Dieb.
D Er wurde zum Stehlen gezwungen. 

timer
1:00

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Was wird im 1. Absatz über den Meisterdieb deutlich?
A
Er hat gestohlen um Eindruck zu machen.
B
Er hielt sein Wort.
C
Er war mehr ein Angeber als ein Dieb.
D
Er wurde zum Stehlen gezwungen.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Was wird im 1. Absatz über den Meisterdieb deutlich?
A Er hat gestohlen um Eindruck zu machen. 
B Er hielt sein Wort. 
C Er war mehr ein Angeber als ein Dieb.
D Er wurde zum Stehlen gezwungen. 

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Conclusie
also = dus
deshalb = derhalve, daarom
daher = vandaar
damit = zodat 

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Was beschreibt der 1. Absatz?
A Dass Leute frïher leichter soziale Kontakte knüpften als heute. 
B Was man früher unter Freundschaft verstand.
C Wie schwierig es früher war, Freundschaften zu pflegen. 
timer
1:00

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Was beschreibt der 1. Absatz?

A
Dass Leute frïher leichter soziale Kontakte knüpften als heute.
B
Was man früher unter Freundschaft verstand.
C
Wie schwierig es früher war, Freundschaften zu pflegen.

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Was beschreibt der 1. Absatz?
A Dass Leute frïher leichter soziale Kontakte knüpften als heute. 
B Was man früher unter Freundschaft verstand.
C Wie schwierig es früher war, Freundschaften zu pflegen. 

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Opsomming
Tegenstelling
Reden / oorzaak
Benadrukking
Bevestiging
Conclusie
außerdem - bovendien
dann - dan
zuerst - ten eerste
trotz - ondanks
weil - omdat
denn- want
vor allem - vooral / in het bijzonder
klar - natuurlijk
deshalb - daarom

Slide 29 - Drag question

This item has no instructions

Vragen over signaalwoorden

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Vragen over signaalwoorden
Welches Wort passt im Sinne des Textes in die Lücke in Absatz 3?
A aber
B denn
C oder
D und 

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Welches Wort passt im Sinne des Textes in die Lücke in Absatz 3?
A
aber
B
denn
C
oder
D
und

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Vragen over signaalwoorden
Welches Wort passt im Sinne des Textes in die Lücke in Absatz 3?
A aber
B denn
C oder
D und 
timer
1:00

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

also
damit
darum
auch
tatsächlich
sondern
Betekenissen van signaalwoorden
ook
maar
zodat
daarom
dus
inderdaad

Slide 34 - Drag question

This item has no instructions

Welke functie hebben de signaalwoorden? 
Opsomming
Reden - oorzaak
Conclusie
weil
und
also
auch
darum

Slide 35 - Drag question

This item has no instructions

Welke functie heeft weil in de zin?
Du sollst still sein, weil ich lernen muss.
A
Conclusie
B
Tegenstelling
C
Reden
D
Voorbeeld

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord past op de puntjes?
Hast du heute Zeit ........ sehen wir uns morgen?
A
oder
B
weil
C
obwohl
D
darum

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekent het woord aber in deze zin?

Ich möchte auf die Party, aber meine Eltern lassen mich nicht.
A
daarom
B
ook
C
waarom
D
maar

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Ich möchte auf die Party, aber meine Eltern lassen mich nicht.

Welke functie heeft 'aber' in deze zin?
A
reden
B
opsomming
C
conclusie
D
tegenstelling

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Das war´s 
Viel Erfolg beim Leestoets! 

Slide 40 - Slide

This item has no instructions