Rekenregels, rekentekens, afronden en schatten

Rekenregels, rekentekens, schatten en afronden
1 / 23
next
Slide 1: Slide
RekenenMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Rekenregels, rekentekens, schatten en afronden

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Doelen
  • Je kent de rekenregels die de volgorde van een bewerking aangeven.
  • Je kent de rekenkundige tekens die een vergelijking aangeven.
  • Je weet wat schatten is. 
  • Je weet hoe je moet afronden.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat is de juiste volgorde?
8 x 4 + 6 : 2 =

Slide 3 - Open question

This item has no instructions

                                        Rekenregels
H = Haakjes wegwerken
M = Machtsverheffen
W = Worteltrekken
V = Vermenigvuldigen
D = Delen
O = Optellen
A = Aftrekken

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Rekenregels: Hoe moeten wij van de onvoldoendes afkomen?
H = Haakjes wegwerken
M = Machtsverheffen
W = Worteltrekken
V = Vermenigvuldigen
D = Delen
O = Optellen
A = Aftrekken

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

8 x 4 + 6 : 2 =

8 x 4 = 32
6 : 2 =     3
32 + 3 = 35

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Bereken.
7 x 9 - 7 x (3 + 2) =
A
56
B
280
C
28
D
70

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

7 x 9 - 7 x (3 + 2)
7 x 9 - 7 x (3 + 2)
7 x 9 - 7 x 5
    63 - 7 x 5 
    63 - 35
    28

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Oefenen
Jullie krijgen van mij een aantal opgaven, die mogen jullie uitrekenen zonder rekenmachine. Hier hebben jullie 10 minuten de tijd voor. 

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Rekenkundige tekens
+
-
x
:


Dit zijn bewerkingstekens
die je tot nu toe bent
tegengekomen in sommen.

Deze tekens ken je al.
plus (positief)
min (negatief)
keer
gedeeld door

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Welk teken hoort op de puntjes?

4 ... 2 = 2
A
+
B
:
C
-
D
x

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Welk teken hoort op de puntjes?

16 - ... 9 = 13
A
-
B
x
C
:
D

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Vergelijkingen
=


<
>



.
is gelijk aan
is ongeveer gelijk aan
is niet gelijk aan
is kleiner dan
is groter dan
is kleiner dan of gelijk aan
is groter dan of gelijk aan

Slide 13 - Slide

Ezelsbrug: zie het groter/kleiner dan teken als de bek van een krokodil. De krokodil wil altijd het grootste getal opeten.
Welk teken hoort op de puntjes?

50.000 .... 115.000
A
<
B
>
C
=
D

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Welk teken hoort op de puntjes?

5,97 + 4,05 ... 10
A
<
B
>
C
=
D

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Welk teken hoort op de puntjes?

18 + 3 - 6 ... 12 + 3
A
<
B
>
C
=
D

Slide 16 - Quiz

Reken eerst de losse sommen uit. Vergelijk dan de antwoorden.
Afronden

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Regels
Als je afrondt op twee decimalen, dan kijk je naar het derde decimaal.
Bij het afronden op drie decimalen, kijk je naar het vierde decimaal.
Je kijkt altijd naar het eerstvolgende decimaal.

Dan geldt:
0 t/m 4: rond af naar beneden (het cijfer waarop je afrondt verandert niet).
5 t/m 9: rond af naar boven (je verhoogt het cijfer waarop je afrondt met 1).


Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Let op!
Je kijkt alleen naar het eerstvolgende decimaal. De decimalen die daarachter staan, zijn niet van belang.

Dus 1,49 afronden op een
heel getal wordt 1.

Slide 19 - Slide

Het is dus niet goed om eerst 1,49 af te ronden naar 1,5 en vervolgens naar 2.
Geslaagd?

5,49

Slide 20 - Open question

This item has no instructions

Oefenen
Nu mogen jullie oefenen met afronden!
Je krijgt een aantal sommen. Hier heb je 10 minuten de tijd voor. 

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Schatten
Je kunt de uitkomst van een rekenopgave met decimale getallen schatten. Je rondt dan eerst de decimale geatellen af op hele getallen. Daarna reken je met de afgeronde getallen de uitkomst uit. 

Met schatten reken je uit wat de uitkomst ongeveer is. Je gebruikt daarom het ≈ teken. 

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Voorbeeld
Een spaarlamk kost 5,98. Hoeveel kosten 50 spaarlampen ongeveer?
Stap 1: Schrijf de opgave op die je uit moet rekenen.
5 x € 5,98 ≈
Stap 2: Rond het bedrag af op hele euro's.
€ 5,98 ≈ € 6
Stap 3: Reken uit met afgeronde bedragen.
50 x € 6 ≈ € 300,-

Het antwoord is dan dat 50 spaarlampen ongeveer 300 euro kosten. 

Slide 23 - Slide

This item has no instructions