M4 FT H1

M4 FT 1.1
Je moet keuzes maken!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

M4 FT 1.1
Je moet keuzes maken!

Slide 1 - Slide

Schaarste betekent in de economie ...
A
dat er weinig van is.
B
dat mensen secundaire behoeften hebben.
C
dat je middelen te beperkt zijn om in al je behoeften te voorzien .
D
dat is iets zeldzaam is.

Slide 2 - Quiz

Sleep de omschrijvingen naar het juiste begrip.
6 p's
Plaatsbeleid
Presentatiebeleid
Marketingmix
Waar kun je het product kopen?
Wat voor uitstraling heeft de winkel?

Slide 3 - Drag question

Wat is een ander woord voor consumentengedrag?
A
koopmotief
B
koopkracht
C
koopgedrag
D
koopbehoefte

Slide 4 - Quiz

Waarom zijn jongeren een belangrijke doelgroep? Noem minimaal 2 redenen.

Slide 5 - Open question

Wat houdt een doelgroep in?
A
Mensen met dezelfde afkomst.
B
Een groep mensen met dezelfde kenmerken.
C
Verschillende mensen.
D
Mensen die hetzelfde geloof hebben.

Slide 6 - Quiz

Als er door een bedrijf reclame wordt gemaakt op Instagram is er sprake van ...
A
sociale beïnvloeding.
B
commerciële beïnvloeding.

Slide 7 - Quiz

Wat is het verschil tussen welvaart en welzijn?

Slide 8 - Open question

Waarmee neemt welvaart toe?

(Er zijn meerdere antwoorden goed)
A
Als het bbp toeneemt.
B
Als mensen in meer behoeften kunnen voorzien.
C
Als de koopkracht toeneemt.
D
Als het nationaal inkomen daalt.

Slide 9 - Quiz

Waar staan de letters bbp voor?

Slide 10 - Open question

Nederland heeft 17,2 miljoen inwoners en het bbp bedraagt € 335 miljard. Hoe hoog is het bbp per hoofd van de bevolking in hele Euro's? Schrijf je berekening op!

Slide 11 - Open question

Meneer Boet ontvangt elk kwartaal kinderbijslag. Welke inkomensvorm is dit?
A
inkomen uit arbeid
B
inkomen uit bezit
C
inkomen uit overdrachten
D
dit is geen inkomen

Slide 12 - Quiz

Tot welke inkomensvorm behoort rente?
A
inkomen uit arbeid
B
inkomen uit overdrachten
C
loon in natura
D
inkomen uit bezit

Slide 13 - Quiz

Hoeveel procent wordt
in dit plaatje verdient
door de 30% rijkste inwoners?
A
10% van het inkomen
B
30% van het inkomen
C
60% van het inkomen
D
70% van het inkomen

Slide 14 - Quiz

Door inflatie stijgt de koopkracht van geld.
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quiz

Door de inflatie kan ik ...
A
meer besteden.
B
minder besteden.

Slide 16 - Quiz

Wat is een mogelijke oorzaak van inflatie?
A
Productiekosten stijgen.
B
Producten zoals koekenpannen worden duurder.
C
Geld wordt minder waard.
D
De grondstofkosten worden goedkoper.

Slide 17 - Quiz

Het inkomen dat je in euro's verdient noem je het ...
A
nominaal inkomen.
B
reëel inkomen.

Slide 18 - Quiz

Het nominaal inkomen stijgt met 2%.
De inflatie is 2,2%.

Hoeveel is het reële inkomen veranderd?
A
+ 2%
B
+ 0,2%
C
- 0,2%
D
+ 2,2%

Slide 19 - Quiz

Yes! Je gaat per maand 50 euro meer verdienen bij de supermarkt. Alle prijzen van de producten die je koopt blijven gelijk.

Wat gebeurt er met je koopkracht?
A
de koopkracht stijgt
B
de koopkracht daalt

Slide 20 - Quiz

Waarvoor staan de letters CPI?

Slide 21 - Open question

Bereken het CPI voor dit jaar en rond af op 2 decimalen.

Slide 22 - Open question