This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 20 min
Items in this lesson
Massacultuur
SE-training 2
Slide 1 - Slide
Leerdoelen
je kunt de voorstelling en vormgeving van een kunstwerk benoemen + goed van elkaar scheiden.
je kent de kunstanalyse begrippen uit je hoofd.
je ontdekt welke hiaten je nog hebt binnen de massacultuur door het beantwoorden van (meerkeuze)vragen.
Slide 2 - Slide
Tekst
aspecten van de VOORSTELLING
aspecten van de VORMGEVING
Wat zie ik?
Wat hoor ik?
Wat is het verhaal?
Hoe klinkt het ?
Hoe is het schilderij ingedeeld ?
Hoe bewegen de danseressen over het podium ?
Hoe wordt de sfeer weggezet in de film ?
Welke materialen zijn gebruikt?
Hoe ziet het kostuum eruit?
Slide 3 - Drag question
Wat zijn de juiste beeldaspecten?
A
kleur, vorm, ruimte, licht, compositie
B
kleur, lijn, ruimte, contrast, voorstelling
C
kleur, vorm, licht, ruimte, genre
D
kleur, lijn, ruimte, licht, inhoud
Slide 4 - Quiz
Hoe beschrijf je vormgeving van theaterspel?
A
houding, mimiek, gebaren
B
houding, mimiek, intonatie, rekwisieten
C
lichaam, stem, speelstijl, mise-en-scene
D
lichaam, stem, decor, rekwisieten
Slide 5 - Quiz
Wat zijn de dansante middelen?
A
tijd, kracht, ruimte
B
kracht, beweging, compositie
C
beweging, houding, geluid
D
verticaliteit, horizontaliteit, beweging
Slide 6 - Quiz
Wat valt er NIET onder filmtechnische vormgeving?
A
Cameravoering
B
mise-en-scène
C
Geluidseffecten
D
Montage
Slide 7 - Quiz
Bekijk en analyseer Woman I (De Kooning) en Who’s afraid … (Newman)
Geef aan in welke opzichten ze wat betreft voorstelling en vormgeving van elkaar verschillen.
Schrijf het op zoals straks op examen.
Slide 8 - Slide
Bekijk en analyseer Woman I (De Kooning) en Who’s afraid … (Newman) Geef aan in welke opzichten ze wat betreft voorstelling en vormgeving van elkaar verschillen.
Slide 9 - Open question
Slide 10 - Slide
Wat is GEEN kenmerk van postmodernisme?
A
Citeren/verwijzen
B
Ironie/humor
C
Radicaal/experimenteel
D
Vermenging hoge / lage kunst
Slide 11 - Quiz
Wat betekent het als een kunstenaar 'citeert' in zijn werk?
A
Hij creëert kunstwerken in de openbare ruimte.
B
Hij kopieert het werk van andere kunstenaars.
C
Hij gebruikt tekst of beeld van anderen in zijn eigen werk.
D
Hij maakt gebruik van verschillende materialen in zijn werk.
Slide 12 - Quiz
Waarom zou een kunstenaar citeren in zijn werk?
A
Om de aandacht te trekken van galeriehouders.
B
Om zijn eigen vaardigheden te verbeteren.
C
Om geld te verdienen met het werk van anderen.
D
Om een boodschap over te brengen of referenties te maken.
Slide 13 - Quiz
Wat is een mogelijke kritiek op het citeren in kunstwerken?
A
Het kan als plagiaat of gebrek aan originaliteit worden gezien.
B
Het maakt kunstwerken ontoegankelijk voor het grote publiek.
C
Het beperkt de artistieke vrijheid van de kunstenaar.
D
Het leidt tot verwarring in de kunstwereld.
Slide 14 - Quiz
Wat zie je?
Beschrijf:
Voorstelling
Vormgeving
Probeer de betekenis van dit kunstwerk te bedenken.
Wat kan dit kunstwerk betekenen? Wat wilde de kunstenaar ermee zeggen?
Welke kenmerken van het postmodernisme zie je terug in dit kunstwerk?
Slide 15 - Slide
Welke kenmerken van het postmodernisme herken je duidelijk in dit werk?
Slide 16 - Open question
Kenmerken postmodernisme
Weinig of geen diepgaande betekenis
Speelsheid is aanwezig/ kitsch, humoristisch
"Less is bore"- overdaad aan decoraties, alles met elkaar mixen
Kopiëren van stijlen/ stijlen uit het verleden maar op hun manier, bijvoorbeeld klassieke zuilen i.p.v. marmer van glimmend staal
Eclectisch- vermengt verschillende stromingen met elkaar
Gebruik maken van clichés
Gebruik van de ready mades
Slide 17 - Slide
De Rood-Blauw-Gele Rietveldstoel, ontworpen door Gerrit Rietveld in 1918, is een icoon van de De Stijl-beweging met zijn strakke lijnen en primaire kleuren.
Slide 18 - Slide
Maarten Baas, 2002
Slide 19 - Slide
De serie SMOKE van Maarten Baas kan postmodern genoemd worden. Geef hiervoor twee argumenten.
Slide 20 - Open question
Wat is film noir?
A
Film noir is een actiegenre met veel geweld en explosies.
B
Film noir is een komediegenre met grappige en luchtige verhalen.
C
Film noir is een romantisch genre met liefdesverhalen en happy endings.
D
Film noir is een filmgenre dat voornamelijk bestaat uit misdaad- en detectiveverhalen met een donkere sfeer en een cynische kijk op het leven.
Slide 21 - Quiz
Kenmerkend voor film noir zijn:
A
Zachte schaduwen, een humoristische sfeer, mysterieuze personages en lineaire verhaallijnen.
B
Heldere belichting, een optimistische sfeer, heldhaftige personages en eenvoudige verhaallijnen.
C
Sterke schaduwen, een pessimistische sfeer, femme fatales en complexe verhaallijnen.
D
Gebalanceerde belichting, een romantische sfeer, sympathieke personages en voorspelbare verhaallijnen.
Slide 22 - Quiz
Op het plaatje zie je de zanger Elvis Presley.
Welke jeugdcultuur had Elvis Presley als idool?
A
Rock & Roll
B
De hippies
C
De hiphoppers
D
De punkers.
Slide 23 - Quiz
Jaren 90
Jaren 80
Jaren 70
Jaren 60
Jaren 50
Slide 24 - Drag question
Deze man wordt de Godfather of Soul genoemd
A
Ray Charles
B
James Brown
C
Marvin Gaye
D
Stevie Wonder
Slide 25 - Quiz
Hippies
Punk
Rock&Roll
Disco
Dance & House
Slide 26 - Drag question
Pop
Metal
Elektro
Punk Rock
Hip-Hop
Slide 27 - Drag question
Rock
Punkrock
Rap
Reggae
Slide 28 - Drag question
Meisjes droegen wijde broeken en jongens hadden een vetkuif
Zij protesteerden tegen het gezag
Zij protesteerden tegen woningnood
Zij waren voor vrije liefde
Zij woonden illegaal in leegstaande panden.
Ze eisten meer inspraak
Hippies
Hippies
Hippies
Provo's
Provo's
Nozems
Slide 29 - Drag question
Wat behoort NIET tot de hip hop cultuur van de jaren '70?