Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Je kunt een voltooid deelwoord gebruiken als bijvoeglijk naamwoord.
Bijvoorbeeld: Is mijn spijkerbroek al gewassen? –>De gewassen spijkerbroek.
Als je aan het einde van de klankgroep een korte klank hoort, dan komt er een medeklinker (b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, y en z) bij als je het woord schrijft. Dit geldt ook voor het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord. --> De voorbijganger heeft de man gered. –> De geredde man.
Als je een lange klank aan het einde van een klankgroep hoort, dan laat je een klinker (a, e, i, o en u) weg als je het woord schrijft. Dit geldt ook voor het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord.
Je hebt het geld goed besteed. – Het goed bestede geld.