This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Planning d'aujourd'hui Vendredi le 21 mars
Herhaling grammatica voor het S.O.
Toets H5 staat ingepland voor jullie toetsweek.
Slide 2 - Slide
Grammaire
Révision (herhaling)
Het delend lidwoord.
Een woord die in het Nederlands.. niet bestaat?!
Slide 3 - Slide
Les types d'article:
En français il y a 3 types d'article
Slide 4 - Slide
l'article défini = bepaald lidwoord
le, la, les, l' = de/het
Slide 5 - Slide
l'article indéfini = onbepaald lidwoord
un, une = een
Slide 6 - Slide
l'article partitif = delend lidwoord
(bestaat niet in het Nederlands, dus niet te vertalen)
du, de la, des, de l'
Slide 7 - Slide
Slide 8 - Video
Het delend lidwoord
Hij bestaat niet in het Nederlands!
Nederlands: geen lidwoord voor het zelfstandig naamwoord..? Dan in het Frans: delendlidwoord.
Bijvoorbeeld; Ik eet chocola
Je mange du chocolat.
Slide 9 - Slide
Wanneer?
Par exemple: Hij koopt appels - geen lidwoord voor "appels" in de Nederlandse zin.
In een Franse zin gebruik je dan wel een lidwoord of delend lidwoord; DES pommes
Als er in het Nederlands geen lidwoord staat voor het zelfstandig naamwoord.
Slide 10 - Slide
Vormen van het delend lidwoord
Du = mannelijke woorden: du coca
De la = vrouwelijke woorden: de la limonade
De l' = bij klinker of h: de l'eau
Des = meervoud: des pommes
Let op: de + le = du
Slide 11 - Slide
Het delend lidwoord
J'ai pris du jambon - Ik heb ham genomen
Tu veux de la salade - Wil je sla/salade?
Wel een getal? Of een ontkenning? Gebruik dan "de".
Als er in het Nederlands geen lidwoord of geen getal voor het zelfstandig naamwoord staat, komt er in het Frans een delend lidwoord (du/de la/de l' of des) voor het znw.
Slide 12 - Slide
'Ik ontbijt met kaas.' Kies de juiste vertaling.
A
Je déjeune avec du fromage.
B
Je déjeune avec le fromage.
Slide 13 - Quiz
'Wil je kip?'
A
Tu veux du poulet ?
B
Tu veux des poulet ?
C
Tu veux de la poulet ?
Slide 14 - Quiz
Lees de zin: 'Ik wil drie hamburgers.' Kies nu de juiste vertaling.
A
Je veux trois des hamburgers
B
Je veux trois hamburgers.
Slide 15 - Quiz
'Heb je jam gegeten?' Kies het juiste antwoord.
A
Tu as mangé de la confiture ?
B
Tu as mangé la confiture ?
Slide 16 - Quiz
DE L'
DES
DE
DES
Je mange ........... fruits.
Tu donnes ......... cadeaux.
Il achète 3 kilos ...... pommes
Il boit ...... eau
Slide 17 - Drag question
Het delend lidwoord
Te maken met een getal? Of een ontkenning?
Dan gebruik je alleen het woordje "de"!
“Il n'y a pas de tomates”
Als er sprake is van een ontkenning of een getal geldt er een regel..
Slide 18 - Slide
Let goed op deze zin: 'Ik wil een kilo appels' Kies de juiste vertaling.