Schrijf (in je schrift) de werkwoorden juist: in VERLEDEN TIJD
1. Zij (hebben) een verjaardag gisteren.
2. Oma (helpen) haar buurvrouw met boodschappen doen.
3. Ik (haasten) me gisteren om de bus te halen.
4. Vorig jaar (spelen) de voetbalclubs nog wedstrijden in juni.
5. Hij (worden) geholpen door de buurman.
6. Mijn moeder en ik (wandelen) vorige week 6 km.