Du weißt, in welchen Situationen die Wortstellung im Deutschen vom Niederländischen abweicht.
Du kannst die Wortstellung der Verben im Deutschen richtig anweden.
Slide 2 - Slide
Huh? Wie?
Slide 3 - Slide
Meistens wie im Niederländischen
Es gibt aber 3 Ausnahmen!
Slide 4 - Slide
1. Ausnahme
Bij een samengesteld werkwoord of bij werkwoorden die bij het gezegde horen, staat de persoonsvorm vooraan in de zin. Het tweede deel staat helemaal achteraan. In het Nederlands kan
het allebei. In het Duits kan het dus alleen op deze manier.
1. Ich gehe gerne mit meinen Freunden spazieren.
2. Er hat nichts von seinen Fehlern gelernt.
Slide 5 - Slide
2. Ausnahme
Als er twee hele werkwoorden aan het eind van de zin staan, staat het modale werkwoord altijd achteraan. In het Nederlands is dit andersom.
Ich habe ihn nicht besuchen können.
Slide 6 - Slide
3. Ausnahme
In samengestelde zinnen (hoofdzin + bijzin) is de keuze van plaatsing van werkwoorden in het Nederlands vrij, in het Duits niet. In het Nederlands kan de persoonsvorm in de bijzin
achteraan staan, in het Duits moet die achteraan staan.