les 31 - 2HV - miércoles 26 de marzo 2025

Les 31 - HV2 - miércoles 26 de marzo 2025
1 / 30
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Les 31 - HV2 - miércoles 26 de marzo 2025

Slide 1 - Slide

¿Qué hacemos hoy? (Wat doen we vandaag?)
  • We testen onze kennis van 'ser' - 'estar' - 'hay' d.m.v. een quiz (25m)
  • Oefening 17 - woordenschat (25m)
  • Korte break (5m)
  • Uitleg s.o. & alvast leren van de woordjes van bron C (WB blz. 103/104) - 25m

Slide 2 - Slide

Inloggen via:
lessonup.app
+
voer de code in

Slide 3 - Slide

SER, ESTAR OF HAY?
Madrid ................. en el centro de España.
A
es
B
hay
C
está
D
son

Slide 4 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Yo .................. triste

A
estoy
B
soy
C
hay
D
estáis

Slide 5 - Quiz

Welk werkwoordsvorm gebruik je in de volgende zin:
Ella ......... doctora
A
es
B
está
C
hay
D
eres

Slide 6 - Quiz

Schrijf een Spaanse, korte zin op waarin het woordje 'hay' voorkomt

Slide 7 - Open question

¿Ser, estar o hay?

En mi casa _________ tres habitaciones.
A
hay
B
ser
C
están
D
son

Slide 8 - Quiz

¿Ser, estar o hay?

Las playas de Barcelona _____ blancas.
A
son
B
hay
C
están
D
es

Slide 9 - Quiz

Schrijf alle zes de persoonsvormen van het werkwoord 'ser' op

Slide 10 - Open question

¿Ser, estar o hay? Maak de zin compleet:
Los profesores ____ muy simpáticos.
A
es
B
hay
C
están
D
son

Slide 11 - Quiz

¿Ser, estar o hay? Maak de zin compleet:
Mi asignatura favorita ____ el español.
A
es
B
hay
C
está
D
soy

Slide 12 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Mis amigos ................... en el cine.

A
son
B
eres
C
hay
D
están

Slide 13 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER,ESTAR OF HAY?
Tú.....................de Argentina.
A
estás
B
eres
C
somos
D
hay

Slide 14 - Quiz

Beschrijf twee plekken waar je kunt zijn... (in de ik-vorm), in het Spaans:

Slide 15 - Open question

Welke werkwoordsvorm gebruik je in de volgende zin:
¿Dónde ............ ?
A
eres
B
estás
C
hay
D
estoy

Slide 16 - Quiz

¿Ser, estar o hay?
Mi colegio ... muy bonito y grande.
A
es
B
está
C
hay
D
soy

Slide 17 - Quiz

¿Ser, estar o hay?
Mi colegio ... en el centro.
A
es
B
hay
C
está
D
estamos

Slide 18 - Quiz

Benoem in welke omstandigheden je het werkwoord 'estar' moet gebruiken

Slide 19 - Mind map

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Hola chicos, ¿cómo....................?
A
sois
B
estáis
C
hay
D
estamos

Slide 20 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
¿Cuántos museos ... en Amsterdam?

A
son
B
estamos
C
hay
D
están

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Slide

Ejercicio 17 (WB blz. 89)
  • Maak in je schrift drie rijtjes:



  • Zet alle woorden in de juiste categorie
Actividades
¿Dónde?
Cosas (dingen)
timer
10:00

Slide 23 - Slide

Respuestas 'op het bord'
Actividades
¿Dónde?
Cosas (dingen)

Slide 24 - Slide

Korte zinnetjes maken
Maak drie Spaanse zinnen waarin je de woordenschat van ejercicio 17 gebruikt
timer
6:00

Slide 25 - Slide

Onbekende woorden vertalen

De woorden die je níet kent/kende, schrijf je in je schrift onder elkaar, mét de goede betekenis daarbij (SP + NL)

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Woordjes bron C (s.o.)
  • De woorden van 6.2 bron C leer je SP - NL (WB blz. 103)
  • De woorden uit 6.4 (WB blz. 104) vanaf 'de pen' t/m 'de week' leer je ook NL - SP
Jullie mogen hier alvast voor leren!

Slide 28 - Slide

Los deberes
  • Lees bron I goed door + bekijk je aantekeningen voor wat betreft alle juiste werkwoordsvormen (TB blz. 56)
  • Leer de woordjes van bron C (WB blz. 103-104)

  • Op dinsdag 1 april hebben jullie de s.o. 

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide