les 31 - 2M - martes 1 de abril 2025

Les 30 - M2 - martes 1 de abril 2025
1 / 30
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Les 30 - M2 - martes 1 de abril 2025

Slide 1 - Slide

¿Qué hacemos hoy? (Wat doen we vandaag?)

  • Korte uitleg over de werkwoorden 'zijn': ser-estar-hay (10m)
  • Werken aan 'ser' - 'estar' - 'hay' op de laptop (20m)
  • Quiz (LessonUp) over dit onderwerp  (25m)
  • Korte break (5m)
  • Huiswerk maken (20m)

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

ergens zijn /
zich bevinden

Slide 4 - Slide

HAY
Wat wordt er met HAY bedoeld?
HAY betekent 'er is' of 'er zijn'
Je kunt 'hay' niet vervoegen!

Ejemplos:
- Hay manzanas (er zijn appels)
- No hay fruta (er is geen fruit)
- Hay mucha gente (er zijn veel mensen)

Slide 5 - Slide

Oefenen op de laptop 
https://aprenderespanol.org/verbos/ser-estar.html

Bovenstaande link kun je openen via je email in Magister.

Start vanaf oefening 4
 Start vanaf oefening 4!!

Slide 6 - Slide

Inloggen via:
lessonup.app
+
voer de code in

Slide 7 - Slide

SER, ESTAR OF HAY?
Madrid ................. en el centro de España.
A
es
B
hay
C
está
D
son

Slide 8 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Yo .................. triste

A
estoy
B
soy
C
hay
D
estáis

Slide 9 - Quiz

Welk werkwoordsvorm gebruik je in de volgende zin:
Ella ......... doctora
A
es
B
está
C
hay
D
eres

Slide 10 - Quiz

Schrijf een Spaanse, korte zin op waarin het woordje 'hay' voorkomt

Slide 11 - Open question

¿Ser, estar o hay?

En mi casa _________ tres habitaciones.
A
hay
B
ser
C
están
D
son

Slide 12 - Quiz

¿Ser, estar o hay?

Las playas de Barcelona _____ blancas.
A
son
B
hay
C
están
D
es

Slide 13 - Quiz

Schrijf alle zes de persoonsvormen van het werkwoord 'ser' op

Slide 14 - Open question

¿Ser, estar o hay? Maak de zin compleet:
Los profesores ____ muy simpáticos.
A
es
B
hay
C
están
D
son

Slide 15 - Quiz

¿Ser, estar o hay? Maak de zin compleet:
Mi asignatura favorita ____ el español.
A
es
B
hay
C
está
D
soy

Slide 16 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Mis amigos ................... en el cine.

A
son
B
eres
C
hay
D
están

Slide 17 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER,ESTAR OF HAY?
Tú.....................de Argentina.
A
estás
B
eres
C
somos
D
hay

Slide 18 - Quiz

Beschrijf twee plekken waar je kunt zijn... (in de ik-vorm), in het Spaans:

Slide 19 - Open question

Welke werkwoordsvorm gebruik je in de volgende zin:
¿Dónde ............ ?
A
eres
B
estás
C
hay
D
estoy

Slide 20 - Quiz

¿Ser, estar o hay?
Mi colegio ... muy bonito y grande.
A
es
B
está
C
hay
D
soy

Slide 21 - Quiz

¿Ser, estar o hay?
Mi colegio ... en el centro.
A
es
B
hay
C
está
D
estamos

Slide 22 - Quiz

Benoem in welke omstandigheden je het werkwoord 'estar' moet gebruiken

Slide 23 - Mind map

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
Hola chicos, ¿cómo....................?
A
sois
B
estáis
C
hay
D
estamos

Slide 24 - Quiz

Vul de juiste vorm van SER, ESTAR of HAY in:
¿Cuántos museos ... en Amsterdam?

A
son
B
estamos
C
hay
D
están

Slide 25 - Quiz

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Ejercicio 27 - WB blz. 98
ser (=zijn)
estar (=ergens zijn)
yo
soy
estoy
eres
estás
él/ella/usted
es
está
nosotros
somos
estamos
vosotros
sois
estáis
ellos/ellas
son
están
timer
15:00

Slide 28 - Slide

Los deberes - ma 7 april

L: bron I (TB blz. 56) - het verschil tussen 'ser' - 'estar' en 'hay'

M: oefening 27 (WB blz. 98) + vertaal deze 
Spaanse zinnen naar het Nederlands




Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide