H4 taalverzorging

H4 taalverzorging
Leerdoelen:
- Je kunt veelgemaakte fouten herkennen en verbeteren
- Je kunt de persoonsvorm juist spellen
- Je kunt een tekst schrijven in de verleden tijd
1 / 24
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

H4 taalverzorging
Leerdoelen:
- Je kunt veelgemaakte fouten herkennen en verbeteren
- Je kunt de persoonsvorm juist spellen
- Je kunt een tekst schrijven in de verleden tijd

Slide 1 - Slide

Wat is een onderwerp?
Het onderwerp is : Wie iets doet.
Je vraagt dus in de zin:
Wie doet?


1. Pieter valt iedere dag van zijn fiets 
WIE is het die....???

Slide 2 - Slide

Even oefenen...
Stel jezelf steeds de vraag:

WIE of WAT is het die........?

Slide 3 - Slide

Wat is het onderwerp?
Zij heeft mooie oorbellen.
A
heeft
B
mooie
C
oorbellen
D
zij

Slide 4 - Quiz

VSO1/2 leert het onderwerp vinden.

Wat is het onderwerp?
A
groep 7/8
B
leert
C
het onderwerp
D
vinden

Slide 5 - Quiz

Wat is het onderwerp?

Is dat ruimtepak van jou?
A
is
B
dat ruimtepak
C
ruimtepak
D
van jou

Slide 6 - Quiz

Wat is het onderwerp?

Hij loopt op de maan.
A
hij
B
loopt
C
op de maan
D
hij loopt

Slide 7 - Quiz

Wat is het onderwerp?

Het meisje kon vliegen!
A
het meisje
B
meisje
C
kon
D
vliegen

Slide 8 - Quiz

En dan nu verder... hun/ zij
Probeer te onthouden:
HUN: als de zin aangeeft dat iets van iemand is

HUN huis staat aan de rand van het bos 
Het huis is van HUN

Slide 9 - Slide

Hun/ Zij
Hun huis staat aan de rand van het bos

Hun    -->   Zij wonen daar al 10 jaar

Slide 10 - Slide

Opdracht 1 ( blz 280) 
1. De collega's ruimden hun/ zij magazijn op
2. Gelukkig houden hun/ zij wel van hard werken
3. Hebben hun/ zij het verkeerde schoonmaakmiddel gebruikt?
4. Mijn broer helpt mijn ouders met het verven van hun/ zij huis
5. Gisteren hebben hun/ zij onze klanten goed geholpen
6. Mijn vrienden zeggen  hun/ zij baan op om te gaan reizen
7. Hun/ Zij vullen de schappen met nieuwe producten

Slide 11 - Slide

Studiemeter
Ga naar Studiemeter:
Thema 8
Onderdeel:  taalverzorging (hun/ zij) 
Maak de opdracht


Slide 12 - Slide

Uitleg 2 
Jou/ jouw

U /uw 

Mij / mijn 


Slide 13 - Slide

 jou / jouw en mij / mijn
  JOUW
   MIJ

Slide 14 - Slide

Jou  /   jouw
Dit is jouw boek. 

Deze hond geeft jou een poot.


Waarom mag ik dit niet van jou ?

Slide 15 - Slide

… vader ziet jou het liefst.
A
Jouw
B
Jou

Slide 16 - Quiz

Ik was daar met ..... zus om een cadeau voor jou te kopen.
A
jou
B
jouw

Slide 17 - Quiz

Ik bel .............morgen.
A
jou
B
jouw

Slide 18 - Quiz

Is dit ........... schrift?
A
jouw
B
jou

Slide 19 - Quiz

Opdracht 2 (blz 281) 
3. Jou/  jouw collega is toch op zoek naar een andere baan? 

6. Wat vind jij het leukste aan jou/  jouw werk? 


Slide 20 - Slide

U / UW
U ( voor mensen ) 
UW ( voor het bezit van iemand) 
JOUW/ UW.....!

 * Dit is uw hond. 
*Vind u hem aardig?
* Dit is jouw hond.

Slide 21 - Slide

opdracht 2 (blz 281) 
2. U  /  Uw slot is vorige week vervangen

5. U / UW heeft mij gisteren gebeld

8. Chanah neemt u /  uw advies graag aan




Slide 22 - Slide

Mij / Mijn 
Mij --> mensen

Mijn --> bezit van iemand 

* Dit is mijn hond
* Je mag hem aaien van mij 

Slide 23 - Slide

Opdracht 2 (blz 281) 
4. De vuilnismannen vergeten mij/  mijn vuilniszak steeds mee te nemen.

7. De kapper belde mij /  mijn om de afspraak te verplaatsen 


Slide 24 - Slide