1. De collega's ruimden hun/ zij magazijn op2. Gelukkig houden hun/ zij wel van hard werken
3. Hebben hun/ zij het verkeerde schoonmaakmiddel gebruikt?
4. Mijn broer helpt mijn ouders met het verven van hun/ zij huis
5. Gisteren hebben hun/ zij onze klanten goed geholpen
6. Mijn vrienden zeggen hun/ zij baan op om te gaan reizen
7. Hun/ Zij vullen de schappen met nieuwe producten