3hb-28-3-Handout B-C-Personalpronomen-Tschick-Roadmovie

Bitte Handout  auf den Tisch.

1 / 31
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2,3

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Bitte Handout  auf den Tisch.

Slide 1 - Slide

3tho am Donnerstag, 3hb am Freitag: dann Tschick-Teil rausnehmen
Neuer Sitzplan: (plattegrond)

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Toets op 4 april:
Leren:

- Herhaal de vragen en antwoorden over het boek Tschick
- Leer de voorzetsels met 3e naamvaal (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
- Leer de voorzetsels met 4e naamvaal (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
- Leer de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e, 3e en 4e naamval (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
=> Op de toets krijg je vragen over het boek Tschick en moet je de naamvallen kunnen gebruiken
=> Hulpmiddel op de toets: naamvalschema, hier staan de der- en ein-groep met uitgangen op (maar GEEN voorzetsels en ook geen persoonlijke voornaamwoorden)





Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Lernziele:
- ik ken de persoonlijke voornaamwoorden en kan ze gebruiken in de 1e en 4e naamval
- ik herhaal de voorzetsels met de 3e en met de 4e naamval
- Ik haal de persoonlijke voornaamwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden niet (meer) door elkaar

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Hausaufgabe war:
Handout naamvallen, opdrachten blz. 5 af hebben.









Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Stappenplan:
• Stap 1: welke groep ? (je kent de woorden, toch?)
• Stap 2: welk geslacht ? (je kent de regels, toch?)
• Stap 3: Zin ontleden om te bepalen wat de naamval is
1. Wie/wat + gezegde = 1e (onderwerp)
2. Wie/wat + gezegde + onderwerp = 4e (lijdend voorwerp)
3. AAN/VOOR wie + gezegde + onderw. + lijd. voorw. = 3e (meewerkend voorwerp)

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

3. _Die_ (de) Kinder (mv) haben _ihre_ (hun) Karten (mv) online
gekauft.
der+mv+ow= Die, ein+mv+lv=ihre
4 Fährst du mit dem Bus oder nimmst du ____ (de) Straβenbahn (v)?
De = der-Gruppe + v + wat neem je? 4e = die


Haar = ihr- > ein-Gruppe + m + AAN wie geeft zij medicijn? 3e = ihrem
De = der-Gruppe + v + wat geeft ze? 4e = die
7 Kommt __________ (zijn) Freund (m) aus Deutschland?
sein-> ein-gr+m+onderwerp=sein
8 Mein Freund hat _________ (uw) Hund (m) gesehen.
Ihr->ein-Gr+m+l.v=Ihren

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

5 Kannst du __deinen__ (jouw) Arm (m) bewegen?
Jouw= dein-> ein-Guppe + m + wat kan je bewegen?  
6__Diese__ (deze) Frau (v) gibt _ihrem (haar) Mann (m) _die___ (de) Medizin (v).
Deze = dies- > der-Gruppe + v + wie geeft? 1e  
Haar = ihr- > ein-Gruppe + m + AAN wie geeft zij medicijn? 3e  
De = der-Gruppe + v + wat geeft ze? 4e 
7 Kommt __sein________ (zijn) Freund (m) aus Deutschland?
sein-> ein-gr+m+onderwerp=1e


Slide 8 - Slide

This item has no instructions

8. Mein Freund hat __Ihren_______ (uw) Hund (m) gesehen.
Ihr->ein-Gr+m+l.v. 
9. Ich gebe __meinen_____ (mijn) Lehrer_n_ (mv) _mein_ (mijn) Heft (o).
Mein-> ein-Gr+mv+3e  
mein-> ein-Gr+o+4e 
10 Der Arzt schickt _dem______ (de) Mann (m) das Rezept. 
der-Gr+m+3e
11 ____Der_ (de) Schrank (m) ist kaputt. 
der-Gr+m+1e 


   der-Gr+o+1e=das
ihr->ein-Gr+v+3e=ihrer
der-Gr+mv+4e=die

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

12 _Dieses___ (dit) Obst (o) ist lecker.
Dies->der-Gr+0+1e 
13 Er schenkt __seinen_ (zijn) Freunde_n__ (mv) eine CD. 
sein-> ein-Gr+mv+3e 
14 Manche Menschen (mv) sind immer fröhlich.
Manch->der-Gr+mv 1e 

Slide 10 - Slide

This item has no instructions


15 Ich weiß nicht, wie ich ___solche_ (zulke) Formulare (mv) ausfüllen muss. -> solch- der-Gr+mv+4e 
16 _Das___ (het) Mädchen (o) gibt __ihrer______ (haar) Mutter (v) _die____ (de) Geschenke (mv)
   der-Gr+o+1e 
ein-Gr+v+3e 
der-Gr+mv+4e 

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Voorzetsels met de derde en vierde naamval

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Grammatik
Ich fahre mit dem Bus nach Hause
=> 'mit' zorgt voor de derde naamval
het lidwoord der --> dem

Ich fahre ohne den Bus nach Hause
=> 'ohne' zorgt voor de vierde naamval
het lidwoord der --> den


Slide 13 - Slide

This item has no instructions

3e naamval met voorzetsels
  1. mit = met
  2. nach = na, naar
  3. bei = bij
  4. seit = sinds
  5. von = van, door
  6. zu = bij, naar
  7. aus =  uit
--> Na deze voorzetsels moet je ALTIJD de derde naamval gebruiken
--> Je hoeft niet te ontleden 



Aantekening:

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

4e naamval met voorzetsels
goud-f-bis: 
  1. gegen = tegen
  2. ohne = zonder
  3. um = om
  4. durch = door
  5. für = voor ( bestemd voor)
  6. bis= tot
--> Na deze voorzetsels moet je ALTIJD de vierde naamval gebruiken
--> Je hoeft niet te ontleden 



Aantekening:

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Nieuwe Stappenplan:
• Stap 1: welke groep ?
• Stap 2: welk geslacht ?
Stap 3: Staat er een voorzetsel voor het zinsdeel dat ik moet ontleden?
Ja:
• durch, für, ohne, gegen, um, bis: 4e
Nein: (je moet de zin ontleden)
- Wie/wat + gezegde = 1e (onderwerp)
- Wie/wat + gezegde + onderwerp = 4e (lijdend voorwerp)
- AAN/VOOR wie + gezegde + onderw. + lijd. voorw. = 3e (meewerkend voorwerp)

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Beispiele:
  1. Mit deinem Bruder (m) gehe ich nicht in die Disko.
  2. Er ist auf der Suche nach einem Haustier (o).
  3. Klaus wohnt noch bei seiner Mutter (v).
  4. Seit einem Jahr (o) wohnt er in Berlin.


Slide 17 - Slide

This item has no instructions

1/4 Wat is correct?

Mit welch__  Spieler__ (mv) fahren wir zur EM? 
A
welchem Spielern
B
welchen Spielern
C
welchen Spieler
D
welcher Spielern

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

2/4 Wat is correct?

Bei jed_____ Wetter (o) fährt Tom mit dem Fahrrad.
A
jede
B
jeden
C
jeder
D
jedem

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

3/4 Wat is correct?

Ahmed geht jeden Tag zu sein_____ Oma.
A
seiner
B
seine
C
seinen
D
sein

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

4/4 Wat is correct?

Aus ihr... Haus (o) kommt seine Oma nur selten.
A
ihres
B
ihr
C
ihren
D
ihrem

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Hast du das Lernziel errreicht?
- Ich kenne die Präpositionen (voorzetsels) mit Dativ (3e naamval) und Akkusativ (4e naamval)

😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll

This item has no instructions

                            Persoonlijke voornaamwoorden

Dit moet je leren voor de toets! = blz. 11
Let op: Persoonlijke voornaamwoorden staan NOOIT voor een zelfstandig naamwoord!

Slide 23 - Slide

This item has no instructions


Let op:
Er staat NOOIT een zelfstandig naamwoord achter een persoonlijk voornaamwoord.

jullie zien = ihr seht


Dus: Jullie zien jullie huis
= Ihr seht euer Haus.







Let op:
Er staat ALTIJD een zelfstandig naamwoord achter een bezittelijk voornaamwoord.

jullie huis = euer Haus


Aantekening

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Slide 25 - Link

This item has no instructions

Lernziele erreicht?
- ik ken de persoonlijke voornaamwoorden en kan ze gebruiken in de 1e en 4e naamval
- ik herhaal de voorzetsels met de 3e en met de 4e naamval
- Ik haal de persoonlijke voornaamwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden niet (meer) door elkaar

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Hausaufgabe:
Maken:

1) Handout B, blz.9: zinnen met uitleg lezen
2)blz. 10: zinnen ontleden, met stappenplan, let goed op de voorzetsels
Leren:
Handout B, blz. 6: voorzetsels met 3e en 4e naamval (NL-D, D-NL)
Handout C, blz. 11: persoonlijke voornaamwoorden in de 3 naamvallen (NL-D/D-NL)





Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Slide 28 - Link

This item has no instructions

Slide 29 - Link

This item has no instructions

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Slide 31 - Slide

This item has no instructions