This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Items in this lesson
H6 De overheid/ De ambtenaar
B 6.3 / KGT 6.4: Werken voor de overheid
Ik heb klaar liggen:
rekenmachine,
pen,
papier.
Slide 1 - Slide
Vandaag
Huiswerk bespreken
Hoofdstuk 6 paragraaf B: 3 / KGT: 4
Vragen beantwoorden
Huiswerk
Slide 2 - Slide
B
Leren en maken:
Hoofdstuk 6 paragraaf 2
KT
Leren en maken:
Hoofdstuk 6 paragraaf 3
Huiswerk
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
B6.2 opdracht 10a
Stappenplan:
Toen Lars nog werkte, verdiende hij € 2.538 per maand. a) Hoeveel is zijn bijstandsuitkering in procenten van zijn inkomen dat hij verdiende? Rond af op hele procenten.
€
%
? (komt waar?)
Zet je gegevens in de tabel
Bepaal waar de 1 komt te staan
Reken uit
Geef antwoord op de vraag.
Slide 5 - Slide
B6.2 opdracht 10a
Stappenplan:
Toen Lars nog werkte, verdiende hij € 2.538 per maand. a) Hoeveel is zijn bijstandsuitkering in procenten van zijn inkomen dat hij verdiende? Rond af op hele procenten.
? (komt waar?)
Zet je gegevens in de tabel
Bepaal waar de 1 komt te staan
Reken uit
Geef antwoord op de vraag.
€
2.538
969,56
%
100
?
Slide 6 - Slide
B6.2 opdracht 10a
Stappenplan:
Toen Lars nog werkte, verdiende hij € 2.538 per maand. a) Hoeveel is zijn bijstandsuitkering in procenten van zijn inkomen dat hij verdiende? Rond af op hele procenten.
€
2.538
1
969,56
%
100
38
? (komt waar?)
Zet je gegevens in de tabel
Bepaal waar de 1 komt te staan
Reken uit
Geef antwoord op de vraag.
Slide 7 - Slide
Doel B6.3 / KT 6.4
B: Ik kan uitleggen wat de collectieve en particuliere sector is.
B: Ik kan de taak van de overheid toelichten en benoemen door wie deze taak wordt uitgevoerd.
KT: Ik kan uitleggen wat de collectieve en particuliere sector is.
KT: Ik kan de rol uitleggen die de overheid daarin heeft.
Slide 8 - Slide
Wat doet de overheid voor ons?
Slide 9 - Slide
Particuliere sector
De particuliere sector bestaat uit bedrijven en burgers.
Bedrijven in de particuliere sector streven naar winst.
-De gemeente wordt bestuurd door een burgemeester en wethouders.
Slide 15 - Slide
Provincie
Regelt zaken als het openbaar vervoer in de provincie en de drinkwatervoorziening. En alle zaken die in de provincie geregeld dienen te worden, zoals ruimtelijke ordening en infrastructuur.
Slide 16 - Slide
Infrastructuur
Alle voorzieningen die nodig zijn voor vervoer en communicatie, zoals wegen, vliegvelden, havens, internet en het elektriciteitsnetwerk.
Slide 17 - Slide
Voorbeelden infrastructuur
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Ambtenaren zijn....
A
de overheid
B
personen die werken voor de overheid
C
de personen waarvoor de overheid werkt
D
kun je dat eten?
Slide 20 - Quiz
De overheid van Nederland bestaat uit...
A
Het Rijk
B
Provinciale overheid
C
Gemeentelijke overheid
D
Alle antwoorden zijn goed
Slide 21 - Quiz
Wie werkt voor de overheid?
A
wethouder
B
advocaat
C
verkoper
D
loodgieter
Slide 22 - Quiz
Docenten zijn ambtenaren
A
Juist
B
Onjuist
Slide 23 - Quiz
Wat zijn de vier overheden?
A
Rijk, provincie, gemeente, waterschap
B
Rijk, gemeente, waterschap, burgermeester
C
waterschap, gemeente, fusie, collectief
D
Provincie, Rijk, Belastingdienst, gemeente
Slide 24 - Quiz
De gemeente regelt ...
A
zaken voor het hele land.
B
de indeling van het grondgebied.
C
de infrastructuur.
D
alles in je woonplaats.
Slide 25 - Quiz
Rekenvaardigheden
Ik let er op dat ik:
Een berekening geef
De eenheid erbij zet: €
Een komma zet ipv een punt
2 cijfers achter de komma zet
Rekentrainer
Slide 26 - Slide
Rekenen met grote getallen
Slide 27 - Slide
Rekenen met grote getallen
Als je met miljarden en miljoenen moet rekenen, kun je de miljarden omzetten in miljoenen: 1 miljard = 1.000 miljoen, bijvoorbeeld:
€ 54 miljard = 54 × € 1.000 miljoen = € 54.000 miljoen
€ 1,8 miljard = 1,8 × € 1.000 miljoen = € 1.800 miljoen
Het omgekeerde kan ook, van miljoenen kun je miljarden maken: