H3 par. 3.2 Het christendom wordt belangrijker

De tijd van monniken en ridders
Kastelen, kloosters en steden.
par. 3.2 het christendom wordt belangrijker
1 / 35
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

De tijd van monniken en ridders
Kastelen, kloosters en steden.
par. 3.2 het christendom wordt belangrijker

Slide 1 - Slide

Middeleeuwen
  • Gehele middeleeuwen duurden van 500-1500
  • De vroege Middeleeuwen duurden van 500 - 1000
  • Tijd van Monniken en Ridders 500-1000

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
  • Je kunt uitleggen hoe monniken het christendom verder verspreidden in Europa.

  • Je kunt met voorbeelden laten zien dat het christendom belangrijk was voor mensen in de middeleeuwen.

  • Je kunt de drie standen in de middeleeuwse samenleving beschrijven.

Slide 3 - Slide

Van wanneer tot wanneer duurde de hele middeleeuwen?
A
500-1000
B
500-1500
C
1000-1500
D
1-500

Slide 4 - Quiz

Wat is het hofstelsel?
A
Het economische systeem met horige op domeinen .
B
De manier waarop edelen leefde aan het hof van de koning.
C
Dit bestond niet en is verzonnen.
D
Dit is een politiek systeem met horige op domeinen.

Slide 5 - Quiz

Hiernaast zie je een domein. Wie was de baas van een domein?
A
Een horige
B
Een vrije boer
C
Een landheer
D
de burgemeester

Slide 6 - Quiz

Wat was een domein?
A
Kasteel van de leenheer
B
Land waar de leenmannen wonen, vlakbij het grote huis van de leenheer.
C
Al het gebied van Karel de Grote
D
Een versterkte boerderij waar de heer de baas was

Slide 7 - Quiz

Bekeren tot het christendom
  • In een deel van Europa was de bevolking al in de tijd van de Romeinen christelijk.
  • Dit was niet overal zo...

Slide 8 - Slide

Germaanse goden
  • Rond 500 geloofden veel mensen in het huidige Nederland en Duitsland in Germaanse goden:
  • Bijv. Donar & Freya
  • Natuurgoden.
  • Vereren van stenen, heilige bomen
  •  en waterbronnen.

Slide 9 - Slide

Heidenen
  • Christenen vonden dit verkeerd.
  • Ze noemden deze mensen heidenen.
  • En wilden hen bekeren tot het christendom

Slide 10 - Slide

Bekeren
  • In de 7e & 8e eeuw
  • Ierse en Engelse monniken kwamen naar onze streken.
  • Bijv. Willibrord & Bonifatius.
  • Stichtten hier kloosters.

Slide 11 - Slide

Kloosters
  • Monniken en nonnen leefden hier afgescheiden van de buitenwereld.
  • Leven in dienst van het geloof stellen.
  • Schreven boeken over, zorgden voor zieken.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Kloosters
  • Vanuit de kloosters verspreidden monniken het christendom.
  • Reisden door Germaanse gebieden om te vertellen over Christus.
  • Vernielden Germaanse heiligdomen en hakten heilige bomen om.
  • Wilden laten zien dat Germaanse goden niet bestonden.

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

Slide 18 - Video

  • Monniken kregen op hun tochten om mensen te bekeren hulp en bescherming van  koningen.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Link

  • Steeds meer Germanen bekeerden zich tot het Christendom.
  • Om de overgang naar het nieuwe geloof wat makkelijk te maken bedachten priesters iets slims.
  • Ze koppelde de heidense feesten aan belangrijke christelijke gebeurtenissen...

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Nakijken 3.2 opdracht 2, 3, 4, 6

Slide 23 - Slide

Invloed op dagelijks leven
  • Geloof speelde een steeds grotere rol in het dagelijks leven.
  • Elk dorp had een kerk en een priester.
  • De priester hielp gelovigen om te leven volgens de christelijke regels: dopen & trouwen in de kerk.
  • Elke zondag gingen christenen naar de kerk.
  • In de grond van de kerk werden doden begraven.
  • Op zon- en feestdagen hoefde je niet te werken.

Slide 24 - Slide

Hemel & de hel
  • Als je je aan de regels van de kerk hield, zou je na de dood in de hemel komen.
  • Als je slecht leefde, moest je eeuwig branden in de hel.
  • Mensen waren bang om in de hel te komen en luisterden daarom goed naar de geestelijken.
  • Alleen geestelijken hadden immers contact met god.

Slide 25 - Slide

Standensamenleving
  • Ieder had zijn eigen plek en taak
  • 1. Geestelijken
  • 2. Edelen
  • 3. Boeren

Slide 26 - Slide

Standensamenleving
  • De eerste stand:
  • Geestelijke is iemand in dienst van de kerk, zoals priesters, monniken en nonnen. 
  • De hoogste geestelijke is de paus: bestuurder kerk.

Slide 27 - Slide

Standensamenleving
  • De tweede stand was de adel.
  • Edelen beschermen geestelijken en boeren.
  • Je vader was van adel of de koning maakte een edelman van je.

Slide 28 - Slide

Standensamenleving
Tot de derde stand en laagste stand hoorden de boeren.
Zij bewerkten het land en zorgden voor voedsel.

Slide 29 - Slide

Wisselen van stand?
  • Werd je geboren als edelman, dan bleef je edelman en waren je kinderen ook van adel.
  • Een boer kon dus geen edelman worden.
  • Wel kon je als boer geestelijke worden, namelijk een lage geestelijke: bijv. monnik, non.
  • Als edelman werd je een hoge geestelijke: bijv. bisschop.

Slide 30 - Slide

Wat is de beste omschrijving van het begrip ‘geestelijken’?
Kies het juiste antwoord.
timer
0:20
A
mensen die in God geloven
B
mensen die iedere week naar de kerk gaan
C
mensen die in dienst zijn van de kerk
D
mensen die voor andere mensen bidden

Slide 31 - Quiz

Door het harde leven gingen veel mensen het christendom extra belangrijk vinden. Waarom was dat zo?
timer
0:20
A
De mensen hoopten dat God hen zou beschermen tegen honger, ziekte en dood.
B
In de Bijbel staat hoe je betere medicijnen kunt maken en hoe je grotere oogsten kunt krijgen.
C
Als je christen was, mocht je in een klooster wonen. Daar was wel genoeg voedsel.
D
Als je arm, maar goed geleefd had, werd je na je dood erg rijk in de hemel.

Slide 32 - Quiz

Welke stand was het belangrijkste in de Middeleeuwen?
timer
0:20
A
De 3e stand, de boeren zorgden immers voor voedsel
B
De 2e stand, de edelen zorgden immers voor bescherming.
C
De 1e stand, de geestelijken hadden immers contact met God.
D
Alle standen waren even belangrijk.

Slide 33 - Quiz

Aan de slag
Wat? nakijken opdracht 2, 3, 4, 6, 8, 9, 11
Hoe? klassikaal
Hulp? docent. 
Tijd? 10 minuten
Klaar? Test Jezelf maken van 3.1 en 3.2
timer
1:00

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Link