Stijgen en dalen

Stijgen en dalen
Planning:
-terugblik
- nieuwe stof: soorten van stijgen en dalen; maximum en minimum
- zelfstandig werken
- toets bespreken
Zelfstandig werken:

Maak paragraaf 5.1 opgave 5,7, 10, 11, 14, 15, 16, 17 blz. 12 - 17
1 / 24
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Stijgen en dalen
Planning:
-terugblik
- nieuwe stof: soorten van stijgen en dalen; maximum en minimum
- zelfstandig werken
- toets bespreken
Zelfstandig werken:

Maak paragraaf 5.1 opgave 5,7, 10, 11, 14, 15, 16, 17 blz. 12 - 17

Slide 1 - Slide


A
⟨←, 2]
B
⟨←, 2⟩
C
[2,→⟩
D
⟨2,→⟩

Slide 2 - Quiz

Welke intervalnotatie hoort bij
3 < x ≤ 6,5
A
⟨3; 6,5⟩
B
⟨3; 6,5]
C
[3; 6,5⟩
D
[3; 6,5]

Slide 3 - Quiz

Bereken de richtingscoëfficiënt van de lijn door de punten A(2, 5) en B(7, 13)
timer
1:30

Slide 4 - Open question

Richtingscoëfficiënt berekenen
A(2, 5) en B(7, 13)
Δy / Δx =


Slide 5 - Slide

Richtingscoëfficiënt berekenen
A(2, 5) en B(7, 13)
Δy / Δx =
(yB - yA) / (xB - xA) =



Slide 6 - Slide

Richtingscoëfficiënt berekenen
A(2, 5) en B(7, 13)
Δy / Δx =
(yB - yA) / (xB - xA) =
(13 - 5) / (7 - 2) =


Slide 7 - Slide

Richtingscoëfficiënt berekenen
A(2, 5) en B(7, 13)
Δy / Δx =
(yB - yA) / (xB - xA) =
(13 - 5) / (7 - 2) =
8 / 5 = 1,6


Slide 8 - Slide

Stijgen en dalen

Slide 9 - Slide

Stijgen en dalen - oefenen

Slide 10 - Slide

Stijgen en dalen
Afn. stijg. ⟨-3, -2⟩
Toen. dal. ⟨-2; -1,5⟩

Slide 11 - Slide

Stijgen en dalen
Afn. stijg. ⟨-3, -2⟩
Toen. dal. ⟨-2; -1,5⟩

Slide 12 - Slide

Stijgen en dalen
Afn. stijg. ⟨-3, -2⟩
Toen. dal. ⟨-2; -1,5⟩
Afn. dal. ⟨-1,5; -1⟩

Slide 13 - Slide

Hoe loopt de grafiek op het interval ⟨-1, 1⟩?
A. Afn. stijg.
B. Toen. stijg.
C. Eerst afn. stijg., 
     dan toen. stijg.
D. Eerst toen. stijg., 
     dan afn. stijg.
timer
0:30

Slide 14 - Slide

Hoe loopt de grafiek op interval ⟨-1, 1⟩?

A
Afn. stijg.
B
Toen. stijg.
C
Eerst afn. stijg., dan toen. stijg.
D
Eerst toen. stijg., dan afn. stijg.

Slide 15 - Quiz

Hoe loopt de grafiek op het interval ⟨-1, 1⟩?
A. Afn. stijg.
B. Toen. stijg.
C. Eerst afn. stijg., 
     dan toen. stijg.
D. Eerst toen. stijg., 
     dan afn. stijg.

Slide 16 - Slide

Op welk interval is de grafiek toenemend dalend?
A. ⟨-1,5; -1⟩
B. ⟨1; 1,5⟩
C. ⟨1,5; 2⟩
D. ⟨3, 4⟩
timer
1:00

Slide 17 - Slide

Op welk interval is de grafiek toenemend dalend?
A
⟨-1,5; -1⟩
B
⟨1; 1,5⟩
C
⟨1,5; 2⟩
D
⟨3, 4⟩

Slide 18 - Quiz

Op welk interval is de grafiek toenemend dalend?
A. ⟨-1,5; -1⟩
B. ⟨1; 1,5⟩
C. ⟨1,5; 2⟩
D. ⟨3, 4⟩

Slide 19 - Slide

Minima en maxima
  • Toppen zijn ...............
  • Bij A en C treden .............op
  • Het minimum bij A is ......
  • Het minimum bij C is .......
  • Het maximum bij B is......
  • De randpunten zij ........

Slide 20 - Slide

Maximum en minimum
Gaat een grafiek over van stijgend naar dalend, dan heeft de grafiek een maximum.
Gaat een grafiek over van dalend naar stijgend, dan heeft de grafiek een minimum.
Ook kunnen bij randpunten op een interval maxima en minima optreden.

Absolute maximum = het hoogste maximum
Absolute minimum = het laagste minimum


Slide 21 - Slide

Bij welke punten treed een minimum op?
1.  A, C, E
2. B, D, F
3. B, D
4. C, E
timer
0:20

Slide 22 - Slide

Bij welke punten treed een minima op?
A
A, C, E
B
B, D, F
C
B, D
D
C, E

Slide 23 - Quiz

zelfstandig werken
Opgave 10, 11, 14, 15, 16, 17 blz. 14 t/m 17


Slide 24 - Slide