Quiz woordenschat

Woordenschat quiz 
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 2-4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Woordenschat quiz 

Slide 1 - Slide

plaats, straat en huisnummer
A
adres
B
wijk
C
woning
D
land

Slide 2 - Quiz

land van een boer
A
boerderij
B
erf
C
akker
D
landweg

Slide 3 - Quiz

voor niets
A
goedkoop
B
gratis
C
alles
D
niemand

Slide 4 - Quiz

60 seconden
A
etmaal
B
uur
C
tel
D
minuut

Slide 5 - Quiz

grote hoeveelheid
A
minimum
B
maximum
C
kolom
D
massa

Slide 6 - Quiz

geen oorlog
A
staking
B
vrede
C
overwinning

Slide 7 - Quiz

steden
A
grote plaatsen
B
dorpen
C
gehuchten
D
gemeentes

Slide 8 - Quiz

Er bestaat geen andere
A
eigenwijze
B
dubbele
C
enige
D
eenzame

Slide 9 - Quiz

tegenoverliggende kant
A
zijkant
B
overkant
C
horizon
D
binnenkant

Slide 10 - Quiz

nagespeeld verhaal
A
toneelstuk
B
sprookje
C
gedicht
D
spelletje

Slide 11 - Quiz

aangename
A
prettige
B
iemand die welkom is
C
iemand met dezelfde naam
D
lastige

Slide 12 - Quiz

wachtruimte bij de dokter
A
apotheek
B
wachtkamer
C
behandelkamer
D
loket

Slide 13 - Quiz

titels in een krant
A
alinea's
B
reportages
C
kolommen
D
koppen

Slide 14 - Quiz

opinie
A
mening
B
standpunt
C
discussie
D
meting

Slide 15 - Quiz

absentie
A
aanwezigheid
B
afwezigheid
C
wond
D
vrouw in het klooster

Slide 16 - Quiz

gift
A
vergif
B
bijdrage
C
bijeenkomst
D
collecte

Slide 17 - Quiz

verbeelding
A
fantasie
B
beeltenis
C
afbeelding
D
fantastisch

Slide 18 - Quiz

expositie
A
explosie
B
excursie
C
etalage
D
tentoonstelling

Slide 19 - Quiz

verlies
A
overwinning
B
nederlaag
C
diefstal
D
gevonden voorwerp

Slide 20 - Quiz

mensenmassa
A
menigte
B
mening
C
rij
D
optocht

Slide 21 - Quiz

nationale
A
nederlands elftal
B
transport
C
vaderlandse
D
tussen twee landen

Slide 22 - Quiz

observatie
A
uitkijkpost
B
waarneming
C
ziekenhuisopname
D
onderzoek

Slide 23 - Quiz

argument
A
reden
B
rede
C
overtuiging
D
discussie

Slide 24 - Quiz

voorgoed
A
afwisselend
B
definitief
C
uiteindelijk
D
nimmer

Slide 25 - Quiz

vrouw van
A
echtgenote
B
echtgenoot
C
gemaal
D
vrouwelijk

Slide 26 - Quiz

inbegrepen
A
exclusief
B
fooi
C
experiment
D
inclusief

Slide 27 - Quiz

belangstelling
A
belangrijk
B
interesse
C
interessant
D
belangwekkend

Slide 28 - Quiz

uitspraak van een rechter
A
wet
B
celstraf
C
bekeuring
D
vonnis

Slide 29 - Quiz