Taalverzorging les 11

WELKOM 3Vb
1 / 35
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

WELKOM 3Vb

Slide 1 - Slide

Planning
Volgende week vrijdag toets Taalverzorging

Spreekwoorden, zegswijzen en gezegden

Aan de slag met stijlfiguren en beeldspraak

Slide 2 - Slide

Spreekwoorden
Vaste uitdrukking

Bevat een algemene waarheid of wijsheid

Advies geven, situaties beschrijven of gedrag aanmoedigen

Voorbeeld: "De appel valt niet ver van de boom."

Slide 3 - Slide

Zegswijzen
Figuurlijk taalgebruik zonder wijsheid of raad. Gebruikt om een punt verduidelijken of een situatie beschrijven.

Vrije vorm. Kan worden veranderd in een zin.

Voorbeeld: "Met de deur in huis vallen."
Of: "Hij valt vaker met de deur in huis."

Slide 4 - Slide

Gezegden
Variant op de zegswijze

Vaste vorm (kan in een zin worden toegevoegd)
Bevat géén werkwoord

Gezegde = zo lelijk als de nacht
Voorbeeld: "De baby is zo lelijk als de nacht."

Slide 5 - Slide

Spreekwoord: Korte en vaste (onveranderbaar) uitspraak. Drukt een bepaalde wijsheid uit in een hele zin. Samenvatting van een situatie met een raad of advies. 
Voor de wind is het gunstig zeilen. 

Zegswijze: Vrije vorm die kan worden opgenomen in een zin. Situatie wordt beeldend beschreven, zonder wijsheid, raad of advies. 
Een koekje van eigen deeg geven

Gezegde: Vaste vorm, zonder werkwoord. Zinstoevoeging. 
Met hart en ziel

Slide 6 - Slide

Opdrachten nakijken
1, 2 & 4 (blz. 52)

Slide 7 - Slide

Opdracht (5 min)
Noteer welke uitdrukkingen (spreekwoord/gezegde/zegswijze) de zinnen bevatten én geef aan wat de uitdrukking betekent. 

1. Mijn buurjongen is een vrolijke frans. 
2. Hij sprong in de bres voor zijn vriend.
3. Die nieuwe broek kostte een rib uit mijn lijf. 
4. Wat je nu zegt lijkt mij een open deur.
5. Hij zit deze maand op zwart zaad.
6. Er is stront aan de knikker.

Slide 8 - Slide

Klaar?
op de volgende slide staan de antwoorden

Slide 9 - Slide

Antwoorden
1. Mijn buurjongen is een vrolijke frans. Een vrolijke frans - gezegde. Betekenis: iemand die altijd vrolijk is.

2. Hij sprong in de bres voor zijn vriend. In de bres springen - spreekwoord. Betekenis: opkomen voor iemand.

3. Die nieuwe broek kostte een rib uit mijn lijf. Een rib uit mijn lijf - spreekwoord. Betekenis: iets wat veel geld heeft gekost.

4. Wat je nu zegt lijkt mij een open deur. Een open deur - gezegde. Betekenis: iets wat zo vanzelfsprekend is, dat je het niet hoeft te zeggen.

5. Hij zit deze maand op zwart zaad. Op zwart zaad zitten - spreekwoord. Betekenis: hij heeft geen geld.

6. Ik voel dat er stront aan de knikker is. Er is stront aan de knikker - zegswijze. Betekenis: Er is iets mis. 






Slide 10 - Slide


1. De directie van Philips wil het personeelsbestand afslanken.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.

Slide 11 - Open question



2. Kleine Klaas had een ongelukje gehad.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 12 - Open question



3. Hij is het zwarte schaap van de familie.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 13 - Open question


4. Stevie Wonder kan ondanks zijn visuele handicap prachtig pianospelen.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.




Slide 14 - Open question


5. 'Ik doe dat wel even,' zei meneer Biesheuvel en hij rende een marathon in 2,5 uur.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 15 - Open question


6. Er komen weinig toeristen naar Nederland, omdat het 29 van de 30 dagen regent.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 16 - Open question


7. Toen de klas een grap maakte over Jaap, lachte hij als een boek met kiespijn.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 17 - Open question


8. Wat een schat van een oma heeft Joost toch!
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 18 - Open question


9. Soms lacht de toekomst je toe.
Noteer het figuurlijk taalgebruik en de stijfiguur.



Slide 19 - Open question

'BEST AARDIG gedaan', zei mevrouw Lubbers over mijn 9,7 voor Frans.
A
eufemisme
B
understatement
C
hyperbool
D
antithese

Slide 20 - Quiz

Mijn tante heeft voor één ochtend in de week een INTERIEURVERZORGSTER.
A
eufemisme
B
understatement
C
hyperbool
D
anafoor

Slide 21 - Quiz


Dat is niet onwaarschijnlijk.
A
Understatement
B
Metonymia
C
Eufemisme
D
Litotes

Slide 22 - Quiz

'EEN LEUK KARRETJE', zei Hetty toen ze de Jaguar van Felix zag.
A
eufemisme
B
understatement
C
hyperbool
D
cynisme

Slide 23 - Quiz


Wat is een metafoor?
A
Vergelijking van werkelijkheid met een beeld
B
Een voorwerp krijgt een menselijke eigenschap
C
Alleen het beeld wordt genoemd, je mag het zelf bedenken
D
Een ander woord voor beeldspraak

Slide 24 - Quiz


Wat is een voorbeeld van personificatie?
A
Hij is zo sterk als een beer
B
Hij zal haar vast en zeker hebben betaald
C
Heel Nederland is aan het klussen
D
Papier is geduldig

Slide 25 - Quiz

Mijn kat heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.
A
Understatement
B
Hyperbool
C
Eufemisme
D
Paradox

Slide 26 - Quiz


Esmeralda is een draak van een vrouw.
A
metafoor
B
vergelijking met als
C
personificatie
D
vergelijking zonder als

Slide 27 - Quiz


De kerktoren kijkt uit over de hele stad.
A
metafoor
B
vergelijking met als
C
personificatie
D
vergelijking zonder als

Slide 28 - Quiz

Tijd over? (Ook direct huiswerk)
Leren voor de toets: 
1. Eigen leermateriaal maken
2. Online PowerPoint bestuderen

Geloof je het wel? Verder in je leesboek

Slide 29 - Slide

Leg kort uit wat een anafoor is. Geef niet alleen een voorbeeld.

Slide 30 - Slide

Leg kort uit wat een anafoor is. Geef niet alleen een voorbeeld.

Herhaling van hetzelfde woord(groep) aan het begin van opeenvolgende zinnen. 
"Niemand zag, niemand wist, niemand deed."

Slide 31 - Slide

Noteer en benoem de stijlfiguur uit de zin.

Ik heb het nu al 100 keer tegen je gezegd.

Slide 32 - Slide

Noteer en benoem de stijlfiguur uit de zin.

Ik heb het nu al 100 keer tegen je gezegd.
Hyperbool.

Slide 33 - Slide

Noteer uit de zin de uitdrukking. Geef aan of het een spreekwoord, gezegde of zegswijze is.

Als het kalf verdronken is, dempt men de put.


Slide 34 - Slide

Noteer uit de zin de uitdrukking. Geef aan of het een spreekwoord, gezegde of zegswijze is.

Als het kalf verdronken is, dempt men de put.

Spreekwoord

Slide 35 - Slide