1. Vertel over ‘waar jij voor staat’ en ‘waar je voor gaat’ (=motievenreflectie). Beschrijf
twee au-ervaringen en
twee wauw-ervaringen en
wat je hiervan hebt geleerd.
2. Benoem minimaal vier
belangrijke ‘drijfveren’ in
jouw werk en waarom deze
voor jou belangrijk zijn.
Voorbeelden -------------->