4H - bezittelijk voornaamwoord

Bonjour!
1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Bonjour!

Slide 1 - Slide

Programme
Les pronoms porssessifs: règles et exercices

Objectif du cours:
Bezittelijk voornaamwoorden kunnen gebruiken en vertalen

Slide 2 - Slide

Le pronom possessif
Bezittelijk voornaamwoord gebruik je om aan te geven dat iets van iemand is

Het bezittelijk voornaamwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord (en past zich aan naar dat geslacht) en dus niet aan diegene die het bezit heeft!
Bijvoorbeeld: sa soeur = zijn zus

Slide 3 - Slide

Le pronom possessif - vormen
m. ev.
v. ev.
mv.
mijn
mon
ma
mes
jouw
ton
ta
tes
zijn
son
sa
ses
haar
son
sa
ses

Slide 4 - Slide

Vrouwelijk woord, klinker/h
Welk bezittelijk voornaamwoord krijgen woorden als:
amie / adresse / histoire

Deze vormen krijgen het mannelijke bezittelijk voornaamwoord, ook al is het woord vrouwelijk! Dit komt door de klinkerbotsing.
ma amie wordt dus mon amie (mijn vriendin)


Slide 5 - Slide

Le pronom possessif - vormen 
Eigenlijk maar 2 vormen: enkelvoud en meervoud
m. ev.
v. ev.
mv.
onze
notre
notre
nos
jullie
votre
votre
vos
uw
votre
votre
vos
hun
leur
leur
leurs

Slide 6 - Slide

Choisis:
Je connais ____ (jouw) frère (m)
A
ta frère
B
ton frère
C
tes frère
D
son frère

Slide 7 - Quiz

Vul in:
C'est _____ (mijn) adresse (v)

Slide 8 - Open question

Choisis:
C'est _____ (zijn / haar) soeur (v).
A
sa soeur
B
son soeur
C
ses soeur

Slide 9 - Quiz

Remplis:
_______ (mijn) téléphone (m)

Slide 10 - Open question

Remplis:
______ (ons) maison (v)

Slide 11 - Open question

Remplis:
____ (jullie) parents (m)

Slide 12 - Open question

Choisis:
_____ (zijn / haar) copine (v)
A
sa amie
B
son amie
C
ton amie
D
sa copine

Slide 13 - Quiz

Zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord
m. ev.
v. ev.
m. mv.
v. mv
die van mij
le mien
la mienne
les miens
les miennes
die van jou
le tien
la tienne
les tiens
les tiennes
die van haar/hem
le sien
la sienne
les siens
les siennes

Slide 14 - Slide

zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord
m. ev.
v. ev.
m. mv.
v. mv
die van ons
le nôtre
la nôtre
les nôtres
les nôtres
die van jullie/u
le vôtre
la vôtre
les vôtres
les vôtres
die van hen
le leur 
la leur
les leurs
les leurs

Slide 15 - Slide

Choisis:
Où est ton stylo (m)?
_____ (die van mij) est ici.
A
la mienne
B
le tien
C
le mien
D
les miens

Slide 16 - Quiz

Choisis:
Votre voiture (v) est bleue.
_____ (die van ons) est verte.
A
la vôtre
B
la mienne
C
la tienne
D
la nôtre

Slide 17 - Quiz

Choisis:
Tes copines (v) sont gentilles.
Mais ______ (die van hem) sont méchantes.

A
la sienne
B
les siennes
C
la tienne
D
les tiennes

Slide 18 - Quiz

Remplis:
Mes enfants (m) sont au lycéé.
____ (die van jullie) sont à l'université.

Slide 19 - Open question

Remplis:
Mon sac (m) est grand.
_______ (die van jou) est petit.

Slide 20 - Open question

Ik kan bezittelijke voornaamwoorden gebruiken en vertalen?

Slide 21 - Poll

Remplis: (uw) .......chiens (m) sont calmes
A
votre
B
leurs
C
nos
D
vos

Slide 22 - Quiz

Remplis: Les chiens (m) sont calmes mais ........(die van hun) sont sages.
A
leurs
B
les vôtres
C
les nôtres
D
les leurs

Slide 23 - Quiz

Remplis: Ma voiture (v) est belle mais...(die van hem) est moche
A
le sien
B
sa
C
la sienne
D
les siennes

Slide 24 - Quiz

Maintenant....
- Faire: ex. A t/m F blz. 21-23 in gram. boekje (huiswerk als niet af)
- Eerder klaar?: leren woorden van A blz. 40 in boek B

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide