1. Wat doe je morgen?
(morgen)2. Met wie heb jij in het weekend een afspraak? (met)
3. Waar wandel jij graag in de zomer? (in)
4. Wanneer doe jij in de supermarkt boodschappen? (op)
5. Hoe laat ontbijt jij in het weekend? (om)
6. Hoe ga je straks naar huis? (met)
7. Hoe vaak ga jij naar de kapper? (keer)
8. Van wie krijg jij elke dag een berichtje? (van)