Leerdoelen: Ik kan de volgende termen herkennen en beschrijven in mijn verhaal: tijdverloop, flashback, chronologisch, flashforward, tijdverloop, tijdsprong, tijdvertraging.
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3
This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Leesdossier
Leerdoelen: Ik kan de volgende termen herkennen en beschrijven in mijn verhaal: tijdverloop, flashback, chronologisch, flashforward, tijdverloop, tijdsprong, tijdvertraging.
Slide 1 - Slide
Leesdossier
Te vinden in Teams > Lesmateriaal > Leesdossier Geprint inleveren op di 3 juni
Boek 1 > Mindmap
Boek 2 > Gebr. (is al getoetst)
Boek 3 > Tijdlijn
Boek 4 > Dagboekfragment
Boek 5 > Vrij lezen
Slide 2 - Slide
Opdracht 3 - Tijdlijn
Te vinden in Teams > Lesmateriaal > Leesdossier
Eigen verantwoordelijkheid om bij te houden!
Leerdoel: Ik kan de volgende termen herkennen en beschrijven in mijn verhaal: tijdverloop, flashback, chronologisch, flashforward, tijdverloop, tijdsprong, tijdvertraging.
Slide 3 - Slide
Chronologie
De gebeurtenissen in een verhaal kunnen chronologisch of niet-chronologisch worden verteld. Binnen een chronologische vertelvolgorde kunnen verwijzingen voorkomen naar dingen die eerder of later in het verhaal gebeuren. Daarbij wordt de gewone volgorde niet echt onderbroken.
Slide 4 - Slide
Flashback
Een flashback onderbreekt de chronologische volgorde wel. Het verhaal springt in een langere passage terug in de tijd. Je spreekt dan ook van een niet-chronologisch verteld verhaal.
De functie van een flashback is dat de lezer meer informatie krijgt over een personage. Je komt iets te weten over het verleden, waardoor je het gedrag van een personage in het heden beter begrijpt.
Slide 5 - Slide
Flashforward
Een flashforward onderbreekt de chronologische volgorde wel. Het verhaal springt in een langere passage vooruit in de tijd of verwijst naar iets wat nog te gebeuren staat. Je spreekt dan ook van een niet-chronologisch verteld verhaal.
Zowel flashbacks als flashforwards zorgen voor afwisseling en geven de lezer informatie die hij nodig heeft om het vervolg van het verhaal beter te begrijpen. Een flashforward verhoogt vaak de spanning: je krijgt een vermoeden over het vervolg.
Slide 6 - Slide
Tijdsprong
Binnen een verhaal kan het verteltempo wisselen.
De schrijver kan ook tijd overslaan. Dan is er sprake van een tijdsprong.
Slide 7 - Slide
Tijdvertraging
De schrijver laat gebeurtenissen langer duren dan ze normaal aan tijd gekost zouden hebben.
Voorbeeld: het gedetailleerd uitschrijven van een kamer waarin iemand vastzit. Deze beschrijving kan wel drie bladzijdes duren.
Slide 8 - Slide
Ik heb een voorkeur voor boeken die chronologisch/niet-chronologisch zijn verteld
A
Chronologisch
B
Niet-chronologisch
Slide 9 - Quiz
Chronologie is ..
A
de volgorde van tijd van nieuw naar oud
B
de volgorde van tijd van oud naar nieuw
C
de volgorde waarin je het boek leest
D
de tijd die verstrijkt in het boek
Slide 10 - Quiz
Een belangrijke scène zal vaak uitgebreid verteld worden. Door ieder detail te vertellen, wordt het nu extra spannend gemaakt. Dit zal bijvoorbeeld zo zijn als een personage heimelijk verliefd is en zijn geliefde ziet: ieder detail, iedere aarzeling, iedere blik wordt beleefd. Als een relatief korte tijdspanne zo uitgebreid verteld wordt, spreek je van een ..
A
vertraging
B
versnelling
Slide 11 - Quiz
TIJD
RUIMTE
PERSPECTIEF
PERSONAGES
auctoriaal
flashforward
plaats
chronologie
ik
flashback
tijdsprong
round
vertraging
flat
hij/zij
Slide 12 - Drag question
Een lange tijdsspanne wordt kort beschreven. Voorbeeld: ‘De jaren vlogen voorbij en ze zagen elkaar nauwelijks.’ Hierbij spreek je van een ...