This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Nederlands Grammatica 1 Les 6: Havo
Slide 1 - Slide
Oefenmogelijkheden
- je kunt op verschillende manieren oefenen in zinsontleding en woordbenoeming:
1. in LessonUp;
2. in je Hulpboek Grammatica (in de Jaarbijlagen);
3. Bij de sites CambiumNed en Jufmelis
Wanneer je een onderdeel niet snapt, stel dan aub een vraag
Slide 2 - Slide
terugblik
...je kunt de persoonsvorm vinden in een zin.
...je kunt zinnen in zinsdelen verdelen.
... je kunt het werkwoordelijk gezegde benoemen.
...je kunt het onderwerp benoemen.
...je kunt het lijdend voorwerp benoemen.
...je kunt het meewerkend voorwerp benoemen.
...je kunt woordsoorten herkennen en benoemen.
Slide 3 - Slide
vooruitblik
vandaag ga je zinsontleding herhalen.
Slide 4 - Slide
Zinsontleding
Weet je niet meer precies hoe dat zat? Bekijk dan dit filmpje.
Slide 5 - Slide
Aan de slag!
Maak de vragen op slide 6 t/m 32
Slide 6 - Slide
Verdeel de zin in zinsdelen.
1. Mijn moeder bakt aardappelen.
Slide 7 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen. 2. In de tuin groeien prachtige bomen en struiken.
Slide 8 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
3. Zij kijken elke avond naar de televisie.
Slide 9 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
4. Tijdens de vakantie ben ik gelukkig.
Slide 10 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
5. Het vak Nederlands vind ik gemakkelijk.
Slide 11 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
6. De parkeerplaats is achter de school.
Slide 12 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
7. Hij keurt het plan af.
Slide 13 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
8. Zij werkt hard in de vakantie.
Slide 14 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
9. Op dat kruispunt gebeuren vaak ongelukken.
Slide 15 - Open question
Verdeel de zin in zinsdelen.
10. Op postzegels staat niet altijd een beeltenis.
Slide 16 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Van sommige Nederlandse dialecten zijn boeken met speciale spellingsregels verschenen.
Slide 17 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Met aantrekkelijke advertenties proberen webwinkels de surfers op het internet hun producten te verkopen.
Slide 18 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Volgens de berichtgeving op de website van de hulpdienst heeft een weggebruiker de toegestane snelheid met zestig kilometer per uur overschreden.
Slide 19 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Welke plaat s heeft de debatclub van onze school uiteindelijk bereikt?
Slide 20 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Voor het zoeken naar overlevenden zetten hulporganisaties na aardbevingen steeds vaker speciaal opgeleide reddingshonden in.
Slide 21 - Open question
Schrijf van de volgende zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg), het onderwerp (ond), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv). Als een zinsdeel niet in de zin voorkomt, zet je een streepje.
Gisteravond bood een bekende zangeres een van de deelnemers van de talentenshow haar opnamestudio aan voor de opname van een cd.
Slide 22 - Open question
Voor de volgende slides
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes.
Als het geen onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp is vul je bijwoordelijke bepaling in. (een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vraag: Waar? Wanneer? Hoe? enz.
Slide 23 - Slide
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Veel lezers stellen de redactieleden van een tijdschrift allerlei vragen.
(de redactieleden van een tijdschrift)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 24 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Vaak willen ze uitleg over een verschijnsel ontvangen. (over een verschijnsel)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 25 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Het gepubliceerde antwoord is voor alle lezers van het blad bedoeld. (voor alle lezers van het blad)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 26 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Op deze manier kan iedereen iets over allerlei soorten onderwerpen leren. (iets)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 27 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Voor de redactie is het vinden van een antwoord soms een lastige klus. (het vinden van een antwoord)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 28 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Op sommige vragen weten ze niet direct een antwoord. (Op sommige vragen)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 29 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Daarom schrijven ze wetenschappers brieven waarin ze verzoeken de vraag te beantwoorden. (wetenschappers)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 30 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Soms vraag ik me af hoe lezers sommige vragen durven te stellen. (lezers)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 31 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Voor het komende nummer zullen twee extra pagina's met vragen en antwoorden worden gereserveerd. (Voor het komende nummer)
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 32 - Quiz
Benoem het zinsdeel tussen de haakjes. Omdat ik deze rubriek zo ontzettend leuk vind,is dat voor mij de reden het nummer zeker te kopen. (voor mij)