Werkwoordspelling - herhaling

Werkwoordspelling - herhaling
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Werkwoordspelling - herhaling

Slide 1 - Slide

Programma
-Huiswerk controleren + nakijken
10 min
-Herhalen werkwoordspelling
10 min
-Voorbereiden toetsweek
10 min
-Oefenen
45 min

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
Wat behandelen we vandaag?


  • Je kunt Engelse werkwoorden op de juiste manier vervoegen.

Slide 3 - Slide

Huiswerk controleren + nakijken
Pak je antwoorden van werkwoordspelling Engelse werkwoorden erbij. 
Laat zien dat je het gemaakt hebt. 
We bespreken klassikaal de opdrachten. 

Slide 4 - Slide

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

Slide 5 - Open question

Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Om te weten hoe je een persoonsvorm spelt, beantwoord je de volgende drie vragen:
  1. Staat de persoonsvorm in de tegenwoordige of verleden tijd?
  2. Wat is het onderwerp?
  3. Wat is het getal van het onderwerp (enkelvoud of meervoud)?

Als het getal meervoud is, moet de persoonsvorm dat ook zijn. De persoonsvorm congrueert namelijk met het onderwerp. Congrueren betekent dat het ene woord zich aanpast aan het andere woord. 

Slide 6 - Slide

Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Slide 7 - Slide

Persoonsvorm verleden tijd
Sterke en zwakke werkwoorden.

De regel van 't ex-kofschip. 

Slide 8 - Slide

Persoonsvorm verleden tijd - zwak

Slide 9 - Slide

Persoonsvorm verleden tijd - sterk

Slide 10 - Slide

werkwoordspelling tegenwoordige tijd werkwoordspelling
A
Hij zaagd het hout..
B
Hij zaagt het hout.
C
Hij zaagdt het hout.

Slide 11 - Quiz

werkwoordspelling
(vinden) jij werkwoordspelling lastig?
A
Vindt
B
Vint
C
Vind
D
Vondt

Slide 12 - Quiz

werkwoordspelling
Ik (besteden) veel tijd aan werkwoordspelling.
A
besteed
B
besteedt
C
besteden

Slide 13 - Quiz

werkwoordspelling (vt)
Ik (besteden) veel tijd aan werkwoordspelling.
A
besteede
B
bestede
C
besteedde
D
bestad

Slide 14 - Quiz

werkwoordspelling (tt)
Hij (besteden) veel tijd aan werkwoordspelling.
A
besteed
B
besteedt
C
besteden

Slide 15 - Quiz

Voltooid 
deelwoord

Slide 16 - Slide

Onvoltooid deelwoord
Handeling is nog bezig. 
Te herkennen aan uitgang -nde. 

Slide 17 - Slide

Noteer het juiste voltooid deelwoord: In ieder mens zit meer kracht dan hij ... (vermoeden)

Slide 18 - Open question

Noteer het juiste voltooid deelwoord: Ik ben blij dat de mentor mij zo goed heeft ... (ondersteunen)

Slide 19 - Open question

Noteer het juiste voltooid deelwoord: Ik heb deze vakantie veel wilde dieren ... (fotograferen)

Slide 20 - Open question

Wat is een onregelmatig werkwoord? Verduidelijk met een voorbeeld.

Slide 21 - Open question

Wat zijn de 6 onregelmatige werkwoorden?

Slide 22 - Open question

Onregelmatige werkwoorden

Slide 23 - Slide

Engelse werkwoorden

Slide 24 - Slide

Engelse werkwoorden
A
Schrijf je als de Nederlandse zwakke werkwoorden
B
De ik-vorm heeft vaak dezelfde vorm als de stam
C
Ik-vorm ik pass hij-vorm hij passt
D
ik-vorm ik skate verleden tijd skatete

Slide 25 - Quiz

Engelse werkwoorden
Ik heb (paintballen)
A
gepaintbald.
B
gepaintballd.
C
gepaintballt.
D
gepaintbalt.

Slide 26 - Quiz

(Engelse werkwoorden)
Zij hebben (volleyballen)
A
gevolleybald
B
gevolleyballd

Slide 27 - Quiz

Engelse werkwoorden

Hij ... (timen - vt).
A
Hij timde.
B
Hij timdde.
C
Hij timete.
D
Hij timede.

Slide 28 - Quiz

Oefeningen
Wie?
Zelfstandig.
Wat?
Werkblad.
Hoe?
Pen en papier.
Hulp?
Docent.
Tijd?
Tot 12:50.
Uitkomst?
Je beheerst de leerdoelen.
Klaar?
Lever bij mij in. 
Daarna oefenen via de link in Classroom.

Slide 29 - Slide

Welke leerdoelen beheers je nu?
Deze leerdoelen beheers ik nu al
Deze leerdoelen beheers ik nog niet. Dus ga ik hier nog mee verder oefenen/lezen. Anders vraag ik hulp aan de docent.
Je weet welke werkwoorden onregelmatig zijn.


Je kunt onregelmatige werkwoorden op de juiste manier vervoegen. 

Slide 30 - Drag question