Argumenteren

Argumenteren
1 / 36
next
Slide 1: Slide
FilosofieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

Items in this lesson

Argumenteren

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat gaan we doen?

  • We gaan de kennis over argumenteren herhalen.
  • Je kunt argumenten bedenken bij een stelling.
  • Je kunt een argumentatie opzetten. 
  • Je kunt argumenten verzinnen bij een stelling.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Dilemma: Je wast je haren elke dag met mayonaise -OF- je praat altijd door een megafoon
A
Elke dag haren wassen met mayonaise
B
Altijd door een microfoon praten

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Je schrijft elke week een uitgebreid verslag naar vrienden -OF- je mag maar 1x per dag de wc doorspoelen.
A
Wekelijks uitgebreid verslag naar vrienden
B
WC niet doorspoelen

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Je hebt een stapel stenen als hoofdkussen -OF- Één keer per dag zit er een dikke larve tussen je eten.
A
Stenen als hoofdkussen
B
Elke dag een larve in je eten

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Alcohol moet wel/niet verboden worden.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Feitelijk argument
  • Kun je controleren

'In rode wijn zitten stoffen die goed voor je zijn'

Slide 7 - Slide

studenten bedenken feitelijk argument vóór de stelling, bijvoorbeeld: matige drinkers die stoppen hebben betere leverwaarden.

Ervaringsargument
  • echte ervaring, beleving van schrijver

'Ik ben a-socialer als ik een of twee glazen alcohol op heb'

Slide 8 - Slide

vb ervaringsargument voor: 
'Ik ben brak na avond doorzakken'
'mijn oom was alcoholist, die heeft zich doodgedronken'
Gezagsargument
  • Iemand die autoriteit is als argument gebruiken

'Matig alcoholgebruik van 1 glas per dag lijkt de kans op bepaalde chronische ziekten te verkleinen' staat op de site van het voedingscentrum.


Slide 9 - Slide

'lijkt de kans op' is niet heel erg stellig. Daarna staat op de site: Meer drinken dan 1 glas per dag geeft alleen maar negatieve gezondheidseffecten. 
Nut of (on)gewenst gevolg
  • Gevolg of nut uitleggen met argument

'Alcoholgebruik is goed voor de economie'
Alcoholgebruik is slecht voor je portemonnaie

Slide 10 - Slide

'alcoholgebruik levert binnen gezinnen veel ellende op' 'alcoholgebruik zorgt voor meer ziekten en dat kost geld'
Veronderstelling/vermoeden
  • Gebaseerd op wat er zou gebeuren als...

'Als alcohol verboden zou worden, zou iedereen thuis gaan stoken.'
'Één glaasje per dag kan toch geen kwaad?

Slide 11 - Slide

'Als alcohol verboden wordt, hoef je minder agenten in te zetten op stapavonden'
Vergelijkingsargument
  • Vergelijking op basis van feiten

'Alcoholgebruik is minder verslavend dan GHB'

Slide 12 - Slide

'Er gaan meer mensen dood aan alcohol dan aan harddrugs'
Emotioneel argument
  • Gebaseerd op gevoel of intuïtie

'Je mag helemaal niks meer tegenwoordig'

Slide 13 - Slide

'Je wilt toch geen mensen die drinken en die vervolgens kinderen doodrijden '
Moreel argument
  • Gebaseerd op persoonlijke levensovertuiging/ideaal

'Leef alsof het je laatste dag is'

Slide 14 - Slide

Moslims mogen van hun geloof geen alcohol drinken.
Soorten argumenten
  • feitelijk argument: kun je controleren
  • ervaringsargument: echte ervaring, beleving van schrijver
  • gezagsargument: iemand die autoriteit is als argument gebruiken
  • nut of (on)gewenst gevolg: gevolg of nut uitleggen met argument
  • veronderstelling/vermoeden: gebaseerd op alg. aanvaarde opvattingen
  • vergelijkingsargument: vergelijking op basis van feiten
  • emotioneel argument: gebaseerd op gevoel of intuïtie
  • moreel argument: gebaseerd op persoonlijke levensovertuiging/ideaal

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Trucjes voor argumenten
Feiten geven uit onderzoeken. 
Deskundigheid van jezelf of iemand anders noemen.  
Inspelen op de gevoelens van iemand anders. 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Bedenk 1 argument tegen de
stelling: OV moet gratis worden.
timer
2:00

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

Bedenk 1 argument vóór de
stelling: OV moet gratis worden.
timer
2:00

Slide 18 - Open question

This item has no instructions

3 vormen van argumenteren
  1. Enkelvoudige argumentatie
  2. Nevenschikkende argumentatie
  3. Onderschikkende argumentatie

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Enkelvoudige argumentatie




Bij enkelvoudige argumentatie onderbouw je je standpunt met één argument.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Nevenschikkende Argumentatie




  • Je gebruikt meer dan één argument. 
  • Ieder argument  staat los van de andere argumenten. 
  • De sterkste argumentatiestructuur.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Onderschikkende argumentatie





Bij onderschikkende argumentatie ondersteunt een argument een ander argument.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Standpunt
Argument 1
Argument 2
Ondergeschikt argument
Ik ben op wereldreis.
Ze hebben allemaal hun eigen belangen voorop staan.
Politici zijn niet te vertrouwen.
Ik ga
  niet meer stemmen.

Slide 23 - Drag question

This item has no instructions


Argumenten kun je herkennen aan signaalwoorden. Woorden als want, omdat, en immers geven aan dat er een argument volgt.

Of aan de woorden ik vind....., ik ben van mening...

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

tegenargumenten en weerleggingen
Met een tegenargument ontkracht je een standpunt; met een weerlegging ontkracht je een argument.
Voorbeelden:
De kans is groot dat ze je na je overlijden als orgaandonor zullen gebruiken (standpunt); ze zitten immers te springen om donororganen (argument). 
Slechts één op de vijfduizend overledenen wordt gebruikt als orgaandonor (tegenargument). 


Ik wil niet meer naar Italië op vakantie (standpunt), want je kunt er in restaurants nauwelijks vegetarische gerechten krijgen (argument).
Wat een onzin: de Italiaanse keuken is juist beroemd om zijn groente- en kaasschotels (weerlegging).

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Weerlegging

Een argument dat laat zien dat een argument zwak of onwaar is noemen we een weerlegging.

                                                                      Voorbeeld:

Het is fijn dat de aarde opwarmt, want dan kunnen we in ons eigen land lekker veel zonnen (argument voor). Maar de kans dat je huidkanker krijgt,, wordt daardoor wel een stuk groter (argument tegen). Als je je echter genoeg insmeert met zonnebrandolie en niet te lang in de zon blijft,  is er niets aan de hand (weerlegging).

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Slide 27 - Video

This item has no instructions

Stellingen:
  • Het OV moet gratis worden.
  • Een corona-app moet verplicht worden, ook al is het privacy-gevoelig
  • Programma's als 'Ex on the beach' en 'Temptation Island' moeten verboden worden.

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Slide 31 - Video

This item has no instructions

Slide 32 - Video

This item has no instructions

Argumentatieleer


De argumentatieleer is een onderdeel van de retorica (welsprekendheid): op
diens beurt een onderdeel van de logica, die weer valt onder de filosofie.


Argumentatieleer
houdt zich bezig met de vraag op grond waarvan bepaalde redeneringen
geaccepteerd dan wel verworpen moeten of kunnen worden.




Een
argumentatie is dus een al dan niet geldige, acceptabele  rechtvaardiging van een bewering.





Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Slide 34 - Video

This item has no instructions

Slide 35 - Video

This item has no instructions

Pesten moet strafbaar worden
Maak aantekeningen:
- Met welke woorden maken ze het standpunt duidelijk?
- Met welke woorden of zinnen reageren ze op elkaar?
- Hebben ze een slotzin?
- Hoe maken ze contact met het publiek?


Slide 36 - Slide

This item has no instructions