Het Bijvoeglijk Naamwoord

1 / 20
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Plaatsaanduiding van het BN?
l'adjectif 

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

https://www.lessonup.com/nl/lesson/att3C2d4BpJTf5oR9

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

In welke zin staat het bijvoegelijk naamwoord op de juiste plaats?
A
Une voiture française
B
Une Française voiture
C
Un français voiture
D
Un voiture français

Slide 11 - Quiz

In welke zin staat het bijvoegelijk naamwoord op de juiste manier vermeld in de zin?
A
Un pomm vert
B
Geen juist antwoord
C
Une verte pomme
D
Une pomme verte

Slide 12 - Quiz

Vul in: Jessica est une .... fille.
A
Beau
B
Beaux
C
Belle
D
Belles

Slide 13 - Quiz

Hoe vertaal je; een mooi meisje?
A
Une fille jolie
B
Une jolie fille
C
Un joli fille
D
Un fille joli

Slide 14 - Quiz

In welke zin staat het bijvoegelijk naamwoord goed vermeld?
A
Un maison grand
B
Une maison grande
C
Un grand maison
D
Une grande maison

Slide 15 - Quiz

Welke zin is juist m.b.t Het bijvoegelijk naamwoord?
A
Elle est une fille moche
B
Elle est une moche fille
C
Ele et un fil moch
D
Une moche fille elle est

Slide 16 - Quiz

Het Bijvoeglijk naamwoord staat meestal;
A
Voor het zelfstandig naamwoord
B
Achter het zelfstandig naamwoord

Slide 17 - Quiz

Un ........garçon....... (joli)
A
Un joli garçon
B
Un garçon joli

Slide 18 - Quiz

De kleuren staan;
A
Altijd achter het zelfstandig naamwoord
B
Altijd voor het zelfstandig naamwoord
C
Dat verschilt per situatie

Slide 19 - Quiz

Ik heb de les van vandaag
A
Goed begrepen
B
Voldoende begrepen
C
Matig begrepen
D
Niet begrepen

Slide 20 - Quiz