H9 Personen- en familierecht

H9 Personen- en familierecht
1 / 20
next
Slide 1: Slide
HandelMBOStudiejaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slide and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

H9 Personen- en familierecht

Slide 1 - Slide

Vraag 1: Het personen- en familierecht is een onderdeel van ...
A
het publiekrecht
B
het bestuursrecht
C
het burgerlijk recht
D
het staatsrecht

Slide 2 - Quiz

Vraag 2: In welk boek van het Burgerlijk Wetboek vinden we het personen- en familierecht?
A
boek 1 en 4
B
boek 2
C
boek 3
D
boek 6 en 7

Slide 3 - Quiz

Slide 4 - Video

Vraag 3: Door wie wordt het huwelijk gesloten?
A
de ambtenaar van de burgerlijke stand
B
een familielid van de bruid of de bruidegom
C
de burgemeester
D
de getuigen

Slide 5 - Quiz

Vraag 4: Wie is niet de juridische moeder?
A
de vrouw die met de biologische moeder is getrouwd
B
de vrouw die het kind heeft geadopteerd
C
de vrouw die het kind heeft erkend
D
de vrouw die met de biologische moeder een samenlevingscontract heeft

Slide 6 - Quiz

Slide 7 - Video

Vraag 5: De vader of de duomoeder kunnen, als zij niet getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben met de moeder, een kind erkennen door te verklaren dat zij de juridische ouder willen zijn van het kind. Dat gebeurt bij ...
A
de notaris
B
de gemeente
C
de rechter
D
de melkboer

Slide 8 - Quiz

Vraag 6: Bram is 16 jaar en wil graag een quad kopen. Hij heeft het bedrag ervoor bij elkaar gespaard. In de winkel zegt hij dat hij 18 is en hij koopt de quad. Is dit een geldige koop?
A
Ja, want de verkoper kon niet weten dat hij minderjarig was.
B
Ja, want het gaat om zijn eigen spaargeld.
C
Nee, er was geen toestemming van de ouders van Bram.
D
Ja, maar de ouders van Bram kunnen de koop vernietigen.

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Video

Vraag 7: Welke voorwaarden stelt de wet niet aan een huwelijk tussen Ruben en zijn nieuwe liefde?
A
ze moeten beiden minimaal 18 jaar zijn
B
ze mogen niet al getrouwd zijn
C
ze mogen geen naaste familie zijn van elkaar
D
alleen bij vrouwen is huwelijksdwang mogelijk

Slide 11 - Quiz

Vraag 8: Sabine is 16. Zij mag zelf:
(twee antwoorden goed)
A
een geregistreerd partnerschap aangaan
B
een arbeidsovereenkomst sluiten
C
een auto kopen
D
een medische behandelovereenkomst aangaan

Slide 12 - Quiz

Vraag 9: Hoe noem je een notariële acte met de laatste wil van de erflater?

Slide 13 - Open question

vraag 10 Wat is niet waar?
A
de overledene heet erflater
B
volgens het wettelijk erfrecht gaat de nalatenschap naar de partner en de kinderen
C
ook een ex-partner kan volgens het wettelijk erfrecht erven
D
als je met je partner samenwoont, kan je volgens het wettelijk erfrecht niet van elkaar erven.

Slide 14 - Quiz

Vraag 11: Hoe heeft de rechterlijke uitspraak waardoor een meerderjarige handelingsonbekwaam wordt?

Slide 15 - Open question

Slide 16 - Video

vraag 12: Echtgenoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de huishoudkosten? Wat betekent dat?
A
Een schuldeiser kan van iedere echtgenoot vragen om de openstaande rekening te betalen.
B
Beide echtgenoten moeten ieder voor de helft bijdragen in de kosten van de huishouding.
C
Beide echtgenoten zijn verplicht om te zorgen voor inkomsten.
D
De echtgenoten moeten samen afspreken wie de rekening voor huishoudelijke kosten betaald.

Slide 17 - Quiz

vraag 13: Sjoerd en Naomi zijn getrouwd en hebben twee kinderen en vijf kleinkinderen. als Sjoerd komt te overlijden, wie erft er dan van hem volgens het wettelijk erfrecht?
A
alleen Naomi
B
Naomi en de twee kinderen
C
Naomi, de twee kinderen en de vijf kleinkinderen
D
alleen de twee kinderen

Slide 18 - Quiz

vraag 14: Stel dan Sjoerd niet getrouwd was, wie zou er dan van hem kunnen erven (er zijn twee antwoorden goed)
A
zijn ouders
B
zijn grootouders
C
de staat
D
zijn broers/zussen

Slide 19 - Quiz

vraag 15: Wat betekent beneficiair aanvaarden van een erfenis?
A
De schulden uit de nalatenschap worden betaald met de bezittingen van de nalatenschap.
B
Je aanvaardt alleen de bezittingen uit de nalatenschap en verwerpt de schulden
C
Je aanvaardt de erfenis voor je kinderen.
D
Je geeft de erfenis aan een goed doel.

Slide 20 - Quiz