Leerjaar 1 Hoofdstuk 2

Grammatica 2.7
Voorlezen
Aan de slag met woordsoorten
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwoo, kLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Grammatica 2.7
Voorlezen
Aan de slag met woordsoorten

Slide 1 - Slide

Grammatica 2.7
Lesdoel:
We oefenen de volgende woordsoorten:
  • Zelfstandig naamwoord
  • Lidwoord
  • Werkwoord

Slide 2 - Slide

Even opfrissen
Pak blz. 153 erbij

We maken samen opdracht 1

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Me
Di
Pla
Di
medipladi

Slide 6 - Slide

Zelfstandig werken
Maak opdracht 2 en opdracht 4 vanaf blz. 154

Je hebt hiervoor 8 min, daarna kijken we het samen na.

Slide 7 - Slide

Zelfstandig werken
Lees de instructie: 'Zelfstandig naamwoord'
Maak opdracht 6 en 7 (huiswerk)

Klaar? Ga verder met je mindmap

Slide 8 - Slide

Grammatica 2.7 les 2
Voorlezen
Nakijken opdracht 7 op blz. 156
Woordslinger maken met zelfstandig naamwoorden
Bepaalde en onbepaalde lidwoorden
Maken opdracht 8, 9 + 10 


Slide 9 - Slide

Grammatica 2.7 les 2

Nakijken opdracht 7 op blz. 156



Slide 10 - Slide

Hoe kun je controleren of iets een zelfstandig naamwoord is? 

Er zijn drie manieren...
1
2
3

Slide 11 - Slide

Manier 1
Voor een zelfstandig naamwoord, past een lidwoord

de fiets
het meisje
een ijsje

Slide 12 - Slide

Wat is geen zelfstandig naamwoord?
A
Gevoel
B
Lopen
C
Kip
D
Boom

Slide 13 - Quiz

Manier 2
Zet het woord in enkelvoud of meervoud. 

één fiets                            twee fietsen 

Slide 14 - Slide

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
A
Wandelen
B
Mooi
C
Schoon
D
Schroef

Slide 15 - Quiz

Manier 3
Je kunt er een verkleinwoord van maken

Tafel - tafeltje 

Slide 16 - Slide

Hoe vind je zelfstandig naamwoorden?
Meervoud of enkelvoud maken
Verkleinen of vergroten
Lidwoord voor het woord 
(de, het, een)
Zelfstandig naamwoorden 
Mensen
Dieren
Planten
Dingen

Namen
Plaatsen 
Gevoelens

Slide 17 - Slide

Woordslinger maken
Schrijf met de laatste letter van het zelfstandig naamwoord weer een nieuw zelfstandig naamwoord op. 
Bijvoorbeeld:
tomaat                                                                                                                        

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Lidwoorden
De, het = bepaald lidwoord
Dit gebruik je als het duidelijk is 
wie of wat wordt bedoeld


Een = onbepaald  lidwoord
Het is niet duidelijk wie of wat wordt bedoeld 
 

Slide 20 - Slide

In welke zin staat een lidwoord?
A
Daar staat één huis.
B
Daar staat een huis.
C
Het huis staat daar.
D
Dat is mijn huis.

Slide 21 - Quiz

Zelfstandig werken 


Maak opdracht 8,9 en 10
 

Klaar? Verder met het tekenen van de mindmap

Slide 22 - Slide

Grammatica les 3
Wat gaan we doen?
Voorlezen
Korte instructie werkwoorden
Zelfstandig werken aan de opdrachten

Slide 23 - Slide

Grammatica les 3
Lesdoel van vandaag:
Benoemen van: het lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoorden. 

Slide 24 - Slide

Instrucie werkwoorden
blz.  159

Slide 25 - Slide

Voorbeeld zin werkwoorden

Ik fiets naar school met mijn vriendin.

Ik ben naar school gefietst met mijn vriendin.

Slide 26 - Slide

Aan de slag
Opdracht 12 + 16 (samen)
Opdracht 13, 14 en 21 (zelfstandig)
Je mag zelf nakijken (nakijkbladen uitprinten)
Klaar? Verder met je mindmap of met opdracht 17

Slide 27 - Slide

Grammatica les 4
Wat gaan we doen?

- Voorlezen
- Oefening met een verhaal schrijven met zelfstandig naamwoorden. 

Slide 28 - Slide

 Schrijven verhaal
Stap 1: Schrijf op het blaadje een lidwoord + zelfstandig naamwoord op.
Stap 2: Zorg voor een schrift of een vel papier waar je een verhaal op kunt schrijven
Stap 3: Om de 2 minuten krijg je een zelfstandig naamwoord te horen wat je in je verhaal moet verwerken. 

Slide 29 - Slide

 Schrijven verhaal
Lees aan iemand uit de klas je verhaal voor

Slide 30 - Slide