Voorzetsels

Cursus 3 fictie 
Nodig: - IPad, schrift en pen

timer
10:00
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Cursus 3 fictie 
Nodig: - IPad, schrift en pen

timer
10:00

Slide 1 - Slide

Wat gaan we deze les doen? 
  •  Oefenen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
  • Start §10 voorzetsels
  • Zelfstandig werken aan opdrachten
  • Terugblik en afsluiten les

Slide 2 - Slide

Een persoonlijk voornaamwoord ...
A
geeft aan van wie iets is
B
zegt iets over een situatie
C
duidt een persoon of ding aan
D
zegt aan wie iets gegeven wordt

Slide 3 - Quiz

Weet je nog wat persoonlijke voornaamwoorden zijn? Zoek het persoonlijk voornaamwoord.
A
zijn
B
ik
C
haar
D
mijn

Slide 4 - Quiz


HAAR is altijd een persoonlijk voornaamwoord.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

HET kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn...
A
Jazeker!
B
Nee!
C
Ik weet het echt niet...

Slide 6 - Quiz

Is 'mij' een persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord?
Jorn zegt: 'Die oortjes zijn van mij!'
A
persoonlijk
B
bezittelijk

Slide 7 - Quiz

Check!
Waar zie je persoonlijke en bezittelijk voornaamwoorden?
A
de boeken, de badeendjes
B
ik, jouw, zijn
C
lopen, fietsen, rennen
D
lieve, grote, stoere

Slide 8 - Quiz

Persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord?
Hij zag haar gisteren nog in het park.  
A
persoonlijk
B
bezittelijk

Slide 9 - Quiz

Persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord?
Het was hun idee om een groot feest te organiseren.
  
A
persoonlijk
B
bezittelijk

Slide 10 - Quiz

Voorzetsels

Slide 11 - Slide

Doel
  • Aan het eind van de les weet wat je een  voorzetsel is en kun je deze benoemen in een  zin.

Slide 12 - Slide

Wat is een voorzetsel?

Slide 13 - Mind map

Voorzetsels
  • Voorzetsels staan meestal voor een lidwoord of een voornaamwoord met een zelfstandig naamwoord. (achter die kast, naast mij, onder de boeken). Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan, meestal geeft het dan een richting aan. (Ik viel de sloot in, hij liep de weg op. ) 

  • Let op! Delen van scheidbare werkwoorden zijn geen vz. 
  • Bv. opbellen. Hij belt mij op. op = geen vz

Slide 14 - Slide

Eigenschappen vz


  • Ze geven een plaats, tijd of reden aan.
  • Trucje:
  • ... de kast (achter, op, voor)
  • ... het feest (tijdens, na, gedurende)



Slide 15 - Slide

Slide 16 - Link

Wat is geen voorzetsel?
A
Tijdens
B
eerste
C
achter
D
langs

Slide 17 - Quiz

Wat is GEEN voorzetsel?
A
Links
B
Uit
C
Op
D
Boven

Slide 18 - Quiz

We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel

Slide 19 - Drag question

Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Is jouw voetbaltrainer ook zo trots ... zijn team?
op
achter
met
bij
tegen
aan

Slide 20 - Drag question

Wat is het voorzetsel in deze zin:
Ik ga bij mijn vriend voetballen.

Slide 21 - Open question

Welk woord in de zin is het voorzetsel :
Mijn fiets staat tegen de schutting.

Slide 22 - Open question

VUL VOORZETSEL IN
Mijn vader fietst ..... het donker.

Slide 23 - Open question

Vul een voorzetsel in:
We zijn ..... Brussel gereden.

Slide 24 - Open question

De ondernemende peuter kroop … de tafel - welk voorzetsel kun je hier neerzetten?

Slide 25 - Open question

Vul aan met een voorzetsel:
Wij zorgen ... de taart.

Slide 26 - Open question

Vul aan met een vast voorzetsel:
We hebben een hekel ... huiswerk.

Slide 27 - Open question

Maak een zin met 2 voorzetsels.

Slide 28 - Open question

Doel
  • Aan het eind van de les weet wat je een  voorzetsel is en kun je deze benoemen in een  zin.

Slide 29 - Slide

Tijdens de les
Cursus 5 grammatica §10 voorzetsel:
Maak opdracht 1 t/m 10

Klaar: woordenschat (online) of puzzelen

Slide 30 - Slide